0          1) De wortelfunktie

 

a)      De wortel van een positief getal

 

In wiskunde voor de B-opera­tor hebben we kennis gemaakt met de bewer­king : worteltrek­ken

genoteerd : Ö

We gaan nu onderzoeken de functie

y = Öx

Daarom gaan we eerst na wat worteltrekken bete­kent. Een ge­tallenvoorbeeld:

De wortel uit 100 is 10

omdat

10×10 = 100

 

Volgens de rekenmachine geldt:

= 1.4142136........

waarbij de puntjes aan­geven dat we eeuwig door kunnen gaan met het geven van nog meer cijfers aan het eind;

Î Å

Ï Ä

We kunnen Ö2 niet schrijven als een breuk van twee gehele ge­tal­len.

Wel geldt

Ö2×Ö2 = 2

waarbij we Ö2 benaderen door

Ö2 » 1,41

Opdracht: ga na dat op de rekenmachine geldt:

1.41421362 = 2,0000001  terwijl eerst invoeren

en vervolgens kwadrateren precies 2 ople­vert. Verklaar dit!

 

c)       Het domein en bereik van de wortelfunktie

 

i)          Domein

We stellen nu de vraag:

kunnen we ook een getal .... vinden zodanig dat geldt:

 

   = ...... ?

We proberen voor ...... een getal in te vullen;

stel dit getal is po­sitief.

positief getal × posi­tief getal = positief getal

dus ...... kan geen positief getal zijn.

stel dit getal is ne­gatief.

negatief getal × nega­tief getal = positief getal

dus ...... kan geen negatief getal zijn.

Ook 0 kan het niet zijn, de kon­klusie is

 

  Ï Å

Men gaat gemakkelijk na dat voor ieder ander negatief getal onder de wortel dezelfde redena­tie opgaat. ­De wor­tel uit een  nega­tief getal be­staat niet in Å; het do­mein van

y = Öx

is

Df = Å+.

 

iii)        Bereik

In het voorafgaande hebben we gezien dat wortel trekken van een getal alleen mogelijk is als dat getal posi­tief is. Nu stellen we de vraag:

kan de bewerking wortel trek­ken een negatief getal opleve­ren?

 

We hebben gezien dat

 

omdat

10×10 = 100

Echter ook voor -10 geldt:

(-10)×(-10) = 100

zodat we zouden kunnen denken dat

 

Evenzo geldt

  = 1.4142136........

omdat

1.4142136........×1.4142136........ = 2

Echter ook hier geldt

-1.4142136........×-1.4142136........ = 2

We maken in de wis­kunde de afspraak dat de wor­tel van het getal 100 het positieve getal is dat men in het kwadraat moet nemen om 100 te krij­gen. Er geldt dus uitslui­tend .

Even­zo is Ö2 het posi­tieve getal dat in het kwadraat 2 geeft.

In het algemeen geldt dus

Öx = y

Ûx = y×y = y2en y ³ 0

We kunnen nu spreken van de wortelfunktie.

Immers bij iedere toe­gestane waarde van x  (van het domein) hoort nu één waarde y (van het be­reik).

Er geldt

Bf = Å+

De wortel van een po­sitief getal is een positief getal,

het bereik van

y = Öx

is 

Bf = Å+

 

v)         Samenvatting wortelfunktie:

 

Voor de wortelfunktie geldt:

y = Öx

x is positief (of nul);

x ³ o oftewel Df = Å+.

Zoek een positief getal y waar­voor geldt dat het kwa­draat van y gelijk is aan x:

y2 = y.y = xen y ³ 0 oftewel Bf = Å+.

x   y=Öx

 

0.26         0.509901

0.27         0.519615

0.28         0.529150

0.29         0.538516

0.30         0.547722

0.31         0.556776

0.32         0.565685

0.33         0.574456

0.34         0.583095

0.35         0.591607

0.36         0.600000

0.37         0.608276

0.38         0.616441

0.39         0.624499

0.40         0.632455

0.41         0.640312

0.42         0.648074

0.43         0.655743

0.44         0.663324

0.45         0.670820

0.46         0.678232

0.47         0.685565

0.48         0.692820

0.49         0.700000

0.50         0.707106

1

xy=Öx

 

0.00         0.000000

0.01         0.100000

0.02         0.141421

0.03         0.173205

0.04         0.200000

0.05         0.223606

0.06         0.244948

0.07         0.264575

0.08         0.282842

0.09         0.300000

0.10         0.316227

0.11         0.331662

0.12         0.346410

0.13         0.360555

0.14         0.374165

0.15         0.387298

0.16         0.400000

0.17         0.412310

0.18         0.424264

0.19         0.435889

0.20         0.447213

0.21         0.458257

0.22         0.469041

0.23         0.479583

0.24         0.489897

0.25         0.500000

2

xy = Öx

 

0.60         0.774596

0.70         0.836660

0.80         0.894427

0.90         0.948683

1.00         1.000000

1.10         1.048808

1.20         1.095445

1.30         1.140175

1.40         1.183215

1.50         1.224744

1.60         1.264911

1.70         1.303840

1.80         1.341640

1.90         1.378404

2.00         1.414213

3.00         1.732050

4.00         2.000000

5.00         2.236067

6.00         2.449489

7.00         2.645751

8.00         2.828427

9.00         3.000000

10.00       3.162277

11.00       3.316624

12.00       3.464101

13.00       3.605551

14.00       3.741657

15.00       3.872983

16.00       4.000000

17.00       4.123105

18.00       4.242640

19.00       4.358898

20.00       4.472135

3

 

e)       De grafiek van de wortelfunctie

 

Voor het maken van een gra­fiek van de functie

y = Öx hebben we een tabel gemaakt van 0 tot 2.

 

 

Aan de tabel zien we dat voor x < 1  x < Öx; voor x > 1 geldt x > Öx. De gra­fiek is in on­der­staande fi­guur getekend.

Kontroleer en­kele waar­den uit de tabel met be­hulp van de re­kenmachi­ne.

34

g)      Wor­telf­unktie als halve pa­rabool

 

De grafiek van de func­tie

f(x) = Öx

is een halve parabool. Immers uit

y = Öx

volgt

y2 = x en y ³ 0

Dit kunnen we schrijven als :

x = y2 en y ³ 0

Hier staat x als tweede graads functie van y, waarbij y positief (of eventueel 0) moet zijn.

 

We kunnen het ook zo stellen:

indien we in de formule

y = x2

x en y verwisselen ont­staat de formule

x = y2

Het verwisselen van x en y komt overeen met het spiegelen van de grafiek van de functie y = x2 ten opzich­te van de lijn

y = x

Om na te gaan wat spiegelen ten opzichte van de lijn y = x bete­kent gaan we eerst voor één punt na wat er gebeurt:

 

Afbeelding 35 Spiegelen van het punt (2,4) ten opzichte van de lijn y=x in het punt (4,2).

 

beschouw bijvoorbeeld het punt (2 , 4).

Afbeelding 36 y=x2 y=Öx y=-Öx en de lijn y=x

Na spiegeling verkrij­gen we het punt (4 , 2). Dit komt overeen met het verwisselen van de x en y coördinaat van het punt (2 , 4)

                                

                          

Doen we hetzelfde voor alle punten van de gra­fiek van

y = x2

 dan krijgen we een parabool die symmetrisch is rond de x-as (dat is de lijn y = 0).

De vergelijking van deze para­bool is dan

x = y2

Deze parabool wordt beschreven door de twee funk­ties

y = Öx of y = -Öx

Zie bovenstaande afbeelding.

 

 

Uit y = Öx volgt : y2 = x

Uit y = -Öx volgt : y2 = x

Uit y2 = x volgt : y = Öx of y = -Öx.

 

i)       Toepassingen

 

Voorbeeld 1

 

Gegeven de functies

57

 

Bepaal de parameter c zodanig dat de functie g de functie f raakt.

Bereken vervolgens dit raak­punt.

 

oplossing

 

Df : 2x+1 ³ 0                                                                        Domein bepalen

2x ³ -1             - 1

x ³                          : 2

Bf : Ö(2x+1) ³ 0                                                                     Bereik bepalen

Ö(2x+1) + 1 ³ 1                                                                                        +1

y ³ 1

Nu gaan we oplossen:

f(x) = g(x)                                                                                  gelijkstellen

Ö(2x+1) + 1 = x + c                                                                           invullen

Ö(2x+1) = x + c - 1                                                                 wortel isoleren

2x + 1 = ( x + c - 1 )2                                               **  KWADRATEREN  **

                                                                                                       ...klad...

( x + c - 1 )2 =

( x + c - 1 )×( x + c - 1 ) =

x×x+x×c+x×-1+c×x+c×c+c×-1+-1×x+-1×c+-1×-1 =

x2 + 2c×x + -2x + c2 -2c + 1 =

x2 + (2c-2)×x + c2 -2c + 1

 

2x + 1 = x2 + (2c-2)×x + c2 -2c + 1                                                 uitwerking

0 = x2 + (2c-4)×x + c2 -2c                                               -2x-1;op 0 herleiden

Noodzakelijk voor het raakpunt

D = 0

de diskriminant van de verge­lijking is nul.

Bepaal de parameters ABC:

A = 1B = 2c-4C =  c2 -2c

58

4c2 -16c + 16 -4c2 +8c = 0

-8c + 16 = 0

-8c = -16

c = -16 = 2

     -8

Afbeelding 37 f(x)=­Ö(2x+1) g(x)=x+2

Þ g(x) = x + 2

Nu gaan we oplossen:

f(x) = g(x)                                                                                  gelijkstellen

Ö(2x+1) + 1 = x + 2                                                                           invullen

Ö(2x+1) = x + 1                                                                      wortel isoleren

2x + 1 = (x + 1)2                                                                 wortel wegmaken

2x + 1 = x2 + 2x + 1                                                                op 0 herleiden

0 = x2                                                                                                - 2x - 1

x = 0                                                                              oplossing gevonden

f(0) = g(0)                                                                                 KONTROLE:

Ö(2×0+1) + 1 = 1 + 1

Ö1 + 1 = 2

2 = 2                                                                                                 KLOPT

dus

x = 0 Þy = 2

Raakpunt (0,2)

x = 0 zit in het domein; y=2 zit in het bereik.

De oplossing voldoet. De kon­trole van het ant­woord is nood­zakelijk om dat we in de aflei­ding gekwadra­teerd hebben.

 

Tenslotte maken we een grafiek van f en g

 

 

Voorbeeld 2

 

 

Gegeven de functies

59

 

Afbeelding 38 y=Ö(x+1)+2  y=-x+¾   y=-Ö(x+1)+2

Bepaal de parameter c zodanig dat de functie g de functie f raakt.

Bereken vervolgens dit raak­punt.

 

oplossing

 

Df : x+1 ³ 0                                                                          Domein bepalen

    x ³ -1                                                                                                   - 1

Bf : Ö(x+1) ³ 0                                                                       Bereik bepalen

 Ö(x+1) + 2 ³ 2                                                                                         - 2

     y ³ 2

Nu gaan we oplossen:

f(x) = g(x)                                                                                  gelijkstellen

Ö(x+1) + 2 = -x + c                                                                           invullen

Ö(x+1) = -x + c - 2                                                           -2 ; wortel isoleren

x + 1 = ( -x + c - 2 )2                                               **  KWADRATEREN  **

                                                                                                       ...klad...

( -x + c - 2 )2 =

( -x + c - 2 )×( -x + c - 2 ) =

-x×-x+-x×c+-x×-2+c×-x+c×c+c×-2+-2×-x+-2×c+-2×-2 =

x2 - 2c×x + 4x + c2 -4c + 4 =

x2 + (4 - 2c)×x + c2 - 4c + 4

 

x + 1 = x2 + (4-2c)×x + c2 - 4c + 4                                            op 0 herleiden

0 = x2 + (3-2c)×x + c2 -4c + 3                                                              - 2x - 1

Noodzakelijk voor het raakpunt

D = 0

de diskriminant van de verge­lijking is nul.

Bepaal de parameters ABC:

A = 1B = -2c + 3C =  c2 - 4c +3

60

4c2 -12c + 9 -4c2 + 16c - 12 = 0

4c + -3 = 0

c = 3

    4

Þ g(x) = -x + ¾

Nu gaan we oplossen:

f(x) = g(x)                                                                                  gelijkstellen

Ö(x+1) + 2 = -x + ¾                                                                          invullen

Ö(x+1) = -x - 1¼                                                                    wortel isoleren

x + 1 = (-x - 1¼)2                                                                      kwadrateren

x + 1 = x2 + 2½x + 25                                                             op 0 herleiden

                   16

0 = x2 + 1½x + 9                                                                                  - x - 1

              16

0 = (x + 3)2

         4

x = -¾                                                         kandidaat oplossing gevonden

f(-¾)=                                                                                      KONTROLE:

Ö(-¾+1) + 2 =

Ö¼ + 2 = ½ + 2 = 2½

g(-¾)= --¾ + ¾ = 1½

 

¹                                                                                    KLOPT Niet

dus

x = -¾ Þf(-¾) = 2½  Ùg(-¾) = 1½

( Ù betekent en)

x = -¾  zit in het domein; y=2.5 zit in het bereik van f, echter y = 1,5 zit niet in het be­reik van f.

De oplossing voldoet niet. In feite hebben we een oplossing gevonden van een lijn die raakt aan de parabool met de verge­lijking 

61

Dit wordt veroorzaakt doordat we in de af­leiding een vergelij­king gekwadrateerd heb­ben.

 

Tenslotte maken we een grafiek van f en g

 

Bij het uitwerken van een ver­gelijking kan men :

-aan beide zijden van het is gelijk teken = een wil­le­keu­rig getal op­tellen (of af­trek­ken).

-aan beide zijden van het is gelijk teken = een wil­lekeu­rig getal vermenigvuldigen (of delen, behalve door 0)

Indien men aan beide zijden van het is ge­lijk teken = kwa­dra­teert, dan kan dit tot gevolg heb­ben dat er oplossingen wor­den ge­vonden die niet in over­een­stemming zijn met de oor­spronkelijke vergelijking. Kon­trole achteraf van het ver­kre­gen antwoord is dan noodzakelijk.

 

Kort gezegd:

 

KWADRATEREN = KONTROLEREN!!!


k)      VRAGEN

 

(1)        Teken de grafiek van de volgen­de functies.

Geef ook steeds het domein en bereik van de functies.

a          y = Öx

b          y = -Öx

c          y = Ö-x

d          y = -Ö-x

 

(2)        Teken in een figuur de grafieken van de functies

62

Laat met een berekening zien dat de grafiek van h de grafiek van g raakt.

Bereken het raakpunt van h en g.

Laat door middel van een bere­kening zien dat de grafiek van h de grafiek van f niet snijdt

 

(3)        IÖ26 is geen rationaal getal ; Ö26 Ï Ä

IIÖ16 is een geheel getal : Ö16 Î Á

 

(a)beide beweringen zijn juist

(b)Alleen I is juist

(c)Alleen II is juist

(d)Beide beweringen zijn onjuist

 

(4)        Gegeven de functie

63

Het domein en het be­reik van de functie f zijn:

 


  Df


  Bf


 

 

 

a          x £ -1

y £ 0

b          x £ 1

y £ 0

 

c          x ³ 1

y ³ 0

 

d          x ³ -1

y ³ 0

 

(5)        Twee beweringen:

 

IÖ64 = ±8

IIals y2 = x dan is y = Öx

 

(a)beide beweringen zijn juist

(b)Alleen I is juist

(c)Alleen II is juist

(d)Beide beweringen zijn onjuist

 

6Gegeven de funktie y = Ö(1-x)

aBepaal (indien mogelijk) de raaklijn aan deze funktie met richt­inskoefficient r.c. = -1

 

bBepaal (indien mogelijk) de raaklijn aan deze funk­tie met richt­inskoefficient r.c. = 1.

 

7Gegeven de funktie y = 1 + Ö(2x-4)

aBepaal (indien mogelijk) de raaklijn aan deze funktie met richt­inskoefficient r.c. = -1

 

bBepaal (indien mogelijk) de raaklijn aan deze funk­tie met richt­inskoefficient r.c. = 1.