1)    Loga­ritmische functies

 

a)      logaritme

i)          grondtal 2

In het vorige hoofd­stuk heb­ben we ken­nis ge­maakt met de exponentiële funk­tie., bij­voor­beeld de funk­tie

y = 2x

 

Indien we x en y ver­wisse­len dan krijgen we de ver­ge­lij­king

 

x = 2y

 

Hiervoor schrij­ven we

 

y = 2log x

 

Het ver­wis­selen van x en y komt overeen met het spie­gelen van de gra­fiek van de exponentiële funk­tie y = 2x ten op­zichte van de lijn y = x. We krijgen dan de gra­fiek van­ de funk­tie y = 2log x.

Onder de lo­ga­rit­mi­sche funk­tie f(x) =  2log x ver­staan we dus de funk­tie f die aan een posi­tief getal x toe­voegt het getal y , zodanig dat geldt

 

y = 2log x Û  x = 2y

 We spreken van de logarit­me met grondtal g = 2.

We kunnen ook an­dere posi­tieve grond­tallen g ne­men:

g > 0, g ¹ 1

Hiervoor geldt de­zelf­de af­spraak als voor het grond­tal van een exponentiële funk­tie.

glog a = b Û gb = a

133

Alge­meen geldt:

 

 

 

 

 

We zeg­gen ook wel: de lo­ga­ritme is de in­verse funk­tie van de exponentiële funk­tie. We hebben bij­voor­beeld gezien dat een kapitaal van ¦ 1000,- dat uit­staat tegen 8% ren­te per jaar voldoet aan het funk­tie­voor­schrift

K(t) = 1000 . 1,08t

Vullen we een waarde van t in, dan krijgen we een waarde van K.

Stellen we nu de vraag: als het kapitaal K ¦ 5000,- is, hoe­veel jaar heb­ben we dan ge­wacht? , dan is het ant­woord

t = 1,08log 5

want dan geldt: 1,08t = 5 , zo­dat K = 1000 . 5 = 5000

x

 

y = 2log x

 

_

 

-3

 

¼

 

-2

 

½

 

-1

 

1

 

0

 

2

 

1

 

4

 

2

 

8

 

3

 

XXIII

 

We zien dat met logarit­men wer­ken alleen maar een an­dere ma­nier is om mach­ten op te schrijven.

 

We ma­ken met be­hulp van de definitie van de lo­garitme nu een ta­bel voor en­kele (handig ge­ko­zen ) waar­den

150


 van x en van  y = 2log.(vergelijk ook met de ta­bel van y=2x in hoofdstuk VIII)

 

Vervolgens ge­bruiken we deze ta­bel om een gra­fiek te te­kenen van de funktie y = 2log x.

 

De funktie y = 2log x is al­leen ge­de­fi­nieerd voor po­si­tieve waar­den van x:

 

Df = Å+

 

De waarden die y kan aan­nemen zijn alle reële ge­tal­len:

 

Bf = Å

 

Het nul­punt (snij­punt met de x-as) van de funk­tie y = 2log x is het punt (1,0).

Immers 2log 1 = 0 volgt uit het feit dat 20 = 1.

 

De funk­tie is overal stij­gend

De y-as (de lijn x=0) is een ver­tikale asymptoot van de funk­tie y = 2log x: als x in de buurt van 0 komt dan wordt y een zeer groot ne­ga­tief ge­tal; de afstand van de gra­fiek van de funktie y = 2log x tot de y-as wordt dan steeds klei­ner, zon­der dat de gra­fiek de y-as ooit raakt.

 

iii)        grondtal 10

In­dien we een an­der grond­tal ne­men dan 2, bij­voor­beeld g = 10 dan kun­nen we met we­der­om een ta­bel ma­ken .

 

Df = Å+

 

x

y = 10log x

0,001

-3

0,01

-2

0,1

-1

1

0

10

1

100

2

1000

3

XXIV

Bf = Å

 

Het nul­punt van de funk­tie y = 10log x is het punt (1,0).

 Im­mers 10log 1 = 0 volgt uit het feit dat 100 = 1.

 

De y-as (de lijn x=0) is een ver­ti­kale asymp­toot van de funk­tie y = 10log x: als x in de buurt van 0 komt dan wordt y een zeer groot ne­ga­tief ge­tal. In on­der­staande gra­fiek zijn ge­te­kend zo­wel de funk­tie f(x)  = 2log x    als de funk­tie    g(x)  =  10log x

We zien : beide funk­ties gaan door het punt (1,0). Dit geldt zelfs voor ie­dere lo­ga­rit­me , zoals we na kunnen gaan :

glog 1 = 0  Û g0 = 1

134

 

 

 

en dit geldt voor ieder grond­tal g.

Afbeelding 151 f(x)=2log x  g(x)=10log x

Voor wat be­treft de funk­tie y = 10log x heb­ben we het voor­deel dat deze stan­daard aan­we­zig is op de reken­machine:

dit is de toets


 

log

135

 

Het is de gewoonte om de funk­tie y = 10log x af te kor­ten tot :

y = log x

De afspraak is dus dat als er geen grondtal g staat bij een loga­rit­me, het grond­tal g ge­lijk is aan tien: g = 10

log = 10log

(ver­gelijk hiermee bij­voor­beeld de af­spraak : Ö = 2Ö )

x

y = ½log x

_

3

¼

2

½

1

1

0

2

-1

4

-2

8

-3

XXV

We zien dat geldt:

als x > 1 dan is 2log x > 10log x

als 0 < x < 1 dan is  10log x > 2log x

 

v)         grondtal o < g < 1

 

Vervol­gens wil­len we na­gaan hoe de gra­fiek eruit ziet van een lo­garitme met een grond­tal tus­sen 0 en 1 :

 0 < g < 1

Als voor­beeld nemen we

 y = ½log x

 

We zien ½log 4 = -2, want

½-2 = 1 / (½)2 = 1 / ¼ = 4

Afbeelding 152 y = 0,5log x

We maken van ne­ven­staan­de tabel ge­bruik om de gra­fiek te te­ke­nen van de funk­tie

 y = ­½log x

Er geldt:

Df = Å+

Bf = Å

nul­punt (1,0)

Funktie overal da­lend, y-as asymp­toot: voor x na­dert tot 0 gaat y naar een zeer grote po­si­tieve waar­de.

x

y= 0,1log x

0,001

3

0,01

2

0,1

1

1

0

10

-1

100

-2

1000

-3

XXVI

 

In­dien we wil­len ver­ge­lij­ken de gra­fiek van f(x) = ­½log x met de gra­fiek van h(x) = 0,1log x dan is het no­dig om eerst en­kele waar­den uit te reke­nen van deze funk­tie h(x).

 

We zien aan de gra­fiek en aan de ta­bel van

y = ½log x dat geldt:

½log x = - 2log x

en ook dat geldt:

0,1log x = - 10log x

        

XXVII

 

Algemeen geldt:

 

Ga met be­hulp van de de­fi­nitie van log waarom dit zo is.

 

Net als bij ex­po­nen­ten kun­nen we ook bij lo­ga­rit­mes uit­slui­tend wer­ken met grond­tal­len g die groter zijn dan 1 :

 g > 1

als we met grond­tal­len tus­sen 0 en 1 wer­ken: 0 < g < 1 dan kun­nen we met hulp van bo­ven­staan­de for­mule een - te­ken plaat­sen en over­stap­pen op grond­tal > 1

 

We vat­ten de ei­gen­schap­pen van y = glog x voor een wil­le­keu­rig grond­tal g met 0 < g < 1 of 1 < g nog eens sa­men:

 

 

Voor y = glog x geldt:

Df = Å+

Bf = Å

nulpunt (1,0)

y-as asymp­toot

als g > 1 dan is de funktie stij­gend

als g < 1 dan is de funk­tie da­lend.

y-as asymp­toot als x nadert tot 0

 ( 0 < g < 1 y ® ¥ ; g > 1  y ® -¥)

Afbeelding 153 f(x)=0,5log x  h(x)=0,1log x

 

 


 

Afbeelding 154 y=2x  y=x  en y=2log x


c)       Rekenmachine

 

Op de meeste rekenmachines zit­ten twee logarit­mes:

log = 10log

ln = 2,7182818...log

Het getal 2,7182818... is een bi­zonder getal dat weergegeven wordt met de letter e = 2,7182818...

Dit getal speelt een speciale rol bij exponen­tiële functies en lo­garitmen, waarop we hier niet ver­der in kunnen gaan. We kunnen dit ver­gelijken met de speciale rol die het getal π = 3,1415927... speelt bij cirkels. Voor on­ze doel­ein­den volstaat het om te weten dat op de reken­ma­chine een tweetal functies voorkomen ge­naamd:

 

ex

136

 = 2,71828...x   

 

en de funktie

 

ln x

137

 = elog x = 2,71828log x

Daarnaast zit er op de rekenma­chine een tweetal functies:

 

10x

138

 

 

en ook de funktie

 

log x

139

 = 10log x

 

Bovendien treffen we nog een tweetal toetsen aan die we kun­nen gebruiken bij het rekenen met ex­ponenten:

 

 

of op sommige reken­ma­chines:

 

 

(dit maakt voor de be­rekening niets uit)

en soms een toets :

 

Met behulp van deze toetsen kunnen we ge­makke­lijk reke­nen

Aan de hand van een paar voorbeelden zullen we dit laten zien

 

i)          Voorbeelden

 

i    Bereken 10log 50

toets in          ant­woord:

50

140

log

141

 

   1,69879

142

 

 

 

ii   bereken 1,0820

Toets in         

1,08

143

20

144

=

145

 

   4,6609571

146

 

 

111  bereken 4Ö10

a    Toets         

10

147

10

148

.25

149

=

150

 

      1.7782794

151

 

 

      b   Toets        

10

152

4

153

=

154

     

      1.7782794

155

 

 

 

iii)        logaritmes met willekeurige grondtallen

We zien dat op de re­ken­ma­chine geen toets aan­wezig is om voor wil­le­keurige grondtallen g te berekenen glog x

Indien we toch een logaritme willen berekenen voor een ander grondtal dan 10 dan moeten we een trucje toepassen, dat we verderop zullen uit­leg­gen als we rekenregels voor logaritmes zul­len behandelen. We laten dan zien dat geldt:

                 

342

Hiermee kunnen we dan andere logaritmes bereken dan met grondtal 10:

 

                

343

v    Bijvoorbeeld : bereken 2log 25

Er geldt 2log 25 = log 25 / log 2

We toetsen in:

 

25

156

          

log

157

 ¸

158

2

159

log

160

=

161

 

 

 

 4.64­38562

162

 

Opmerking: het is niet nodig om haak­jes te ge­bruiken

 

We kunnen nu iedere exponentiële vergelijking met één onbeken­de oplos­sen:

bijvoorbeeld:

 

10x=500   Û  x = log 500 = 2.69897

 

Of bijvoorbeeld:

 

2x = 1000 Û x = 2log 1000 = log 1000 / log 2 = 9.96578


e)       OPGAVEN

 

1    Bereken in twee decimalen nauwkeurig:

a    log 3

b    log 9

c    log 50

d    log 90

e    log 100

f    log 200

g    log 500

h    log 1000

 

2    bereken in drie decimalen

a    log 3,7 . 105

b    log 5,8 . 10-3

c    log 7,4 . 1050

f    log 9,9 . 1099

g    log 1,5 . 10--50

 

3    Bereken in 5 decimalen

a      3log 10

b      2log 7

c      8log 3

d      4log 9,75

e      2,7log 100

f      0,2log 35

 

4    Bereken exact (zonder rekenmachine)

 

a      2log 16

b    log 100000

c    log 0,0001

d      5log 125

e      0,2log 0,008

f      3log 81

g      3log (1/27)

 

5Teken in een figuur de grafieken van de funkties y=(0,5)xy=0,5log x en de lijn y=x.


g)      Rekenregels voor logaritmen

 

 

Indien we de vergelijking

 

     2x = 8

oplossen dan vinden we

     x = 2log 8 (= 3)

 

Als we beide vergelijkingen kombineren en x eli­mineren, dan ontstaat de gelijkheid:

                   

344

Ditzelfde kunnen we doen voor een willekeurig grondtal g :