I. Exponentiële
funkties
II.1 Rekenregels
voor exponenten
Een voorbeeld:
3 + 3 + 3 + 3 + 3 = 5 × 3 =
15
│ │
└───────────────┘
5 x
Vijf getallen 3 bij elkaar optellen is vijf vermenigvuldigen
met 3.
algemene regel:
a + a + a + a +
... + a = n ×
a
│ │
└──────────────────────┘
n x
voor willekeurige a Î Å en n Î Á
ander voorbeeld:
3 × 3 × 3 × 3 × 3 = 35= 243
Men spreekt van grondtal 3 met exponent 5
Vijf getallen 3 met elkaar vermenigvuldigen is
3 tot de macht 5
algemene regel:
a × a × a × a × a × a .....
× a
= a n
│ │
└─────────────────────────────────┘
n x
voor a Î Å en n Î Á
grondtal a en exponent n.
In onderstaand overzicht zijn alle rekenregels die gelden voor
exponenten op een rij gezet. De meeste ken je hopelijk.
Daaropvolgend zijn we de rekenregels voor exponenten nog eens nagegaan
aan de hand van eenvoudige getallenvoorbeelden.
II.3 Overzicht
rekenregels voor exponenten
i
1
ii
2
iii
3
iv
4
v
5
vi
6
vii
7
viii
8
II.4a Verantwoording rekenregels voor exponenten
Aan de hand van een paar voorbeelden gaan we de rekenregels
nog eens na. Allereerst de hoofdeigenschap van exponenten:
1
9
neem bijvoorbeeld
p=3 q=4
dan is
a3 × a4 = ( a × a × a ) × ( a × a × a × a )
=
a × a × a × a × a × a × a
= a7
3 + 4 = 7
ii
10
neem bijvoorbeeld p = 2 en q = 3
dan is
(a2)3
= a2 × a2 × a2
=
( a × a ) × ( a × a ) × ( a × a )
=
a × a × a × a × a × a
= a 6
2 × 3 = 6
iii
11
neem bijvoorbeeld p = 5 en q = 2
|
|
5 - 2 = 3
Indien
p = 2 en q = 5 dan volgt
|
|
hiermee zien we ook
iv
14
Als we nemen :
p = q en toepassen
(iii)
15dan volgt
|
|
anderzijds geldt:
|
|
Hieruit
volgt:
v
18
geldt voor ieder getal a.
Nu zullen we een voorbeeld geven van:
vi
19
20
neem bijvoorbeeld: p = 3dan geldt
21
In deze voorbeelden van de rekenregels voor exponenten hebben we
gewerkt met exponenten uit de verzameling natuurlijke getallen = { 0, 1 , 2, .... } = Á
en ook met getallen uit de verzameling gehele getallen
= { ... , -3, -2, -1, 0 , 1 , 2, ,3 , .... } = Í
Zonder nadere toelichting beweren we nu dat de rekenregels voor
exponenten ook geldig zijn voor alle rationale getallen uit Ä, we beweren zelfs dat de rekenregels voor exponenten
geldig zijn voor alle reële getallen
uit Å.
De rekenregels voor exponenten gelden DUS voor alle exponenten p,
q uit Å.
II.5 Gebroken
exponenten ,Grondtal
Voor het grondtal nemen we alleen positieve getallen
ongelijk 0 en ongelijk 1.
Dit zullen we zo nader toelichten, eerst kijken we wat het
eigenlijk betekent als we in plaats exponenten bestaande uit gehele getallen
een exponent nemen die bijvoorbeeld een breuk is.
Wat zouden we willen verstaan onder:
22?
We willen dat de hoofdeigenschap blijft gelden:
|
|
BLIJKBAAR GELDT:
24
Evenzo kunnen we vragen naar de betekenis van:
25
De hoofdeigenschap moet gelden, zodat
BLIJKBAAR GELDT:
26
want volgens de hoofdeigenschap:
27
We kijken niet naar de volgende grondtallen:
igrondtal
a = 1
omdat
voor ieder getal x geldt
|
|
(de
rekenregels gelden wel maar hebben weinig praktisch nut)
iigrondtal
a = 0
Delen
door nul mag nooit;
dus
in formules waar gedeeld wordt, zoals
|
|
mag
a niet gelijk zijn aan nul.
Er
geldt:
|
|
als
x positief; als x negatief: mag niet. Wederom heeft dit weinig praktisch nut.
iiigrondtal
a < 0
Voor
negatieve grondtallen komen we al snel in de moeilijkheden terecht als we
gaan rekenen.
Å
Zo
bestaat -11/2 niet in de verzameling reële getallen ; de wortel
uit -1 bestaat niet omdat wortels alleen bestaan van positieve getallen.
Bovendien krijgen we bij een even exponent een positieve uitkomst,
bij een oneven exponent een negatieve uitkomst, bijvoorbeeld:
-12 = 1
-13 = -1
-14 = 1
-15 = -1
enz.
Algemeen:
We gaan dus steeds uit van grondtallen met de volgende eigenschappen:
In de uitdrukking
32 is p Î Å
a Î Å+\{1}
a positief reëel
getal
a ¹ 0
a ¹ 1
II.7 Hogere
machts wortels
In de vorige paragraaf hebben we gezien dat we de funktie wortel
op drie manieren kunnen schrijven:
|
|
In plaats van wortel spreekt men ook van tweede machts
wortels ( of vierkantswortels), het cijfer wee wordt dan in het wortelteken
geplaatst. Indien er niets geplaatst wordt , is altijd de tweede
machtswortel bedoeld. We herinneren nog eens aan de afspraak die gemaakt is
bij de invoering van wortels:
|
|
in die zin is wortel trekken het omgekeerde van kwadrateren.(zie
hoofdstuk IV).
In plaats van tweedemachtswortels kennen we ook derdemachtswortels,
vierde machts wortels, enzovoorts.
|
|
Het is bij een oneven machtswortel mogelijk dat x negatief
is; dan geldt tevens dat y negatief is.
II.8a derde machtswortel
Er geldt bijvoorbeeld:
2 × 2 ×
2 = 8 dus 3Ö8 = 2
-2 × -2 ×
-2 = -8 dus 3Ö-8 =
-2
Op de grafiek van de funktie y = 3Öx
liggen de punten
( 2 , 8 ) en ( -2 , -8 ).
In het algemeen geldt:
als het punt P (xp,yp)ligt op de grafiek van
de funktie
y = 3Öx
dan ligt ook het punt met koordinaten (-xp, -yp)
op de grafiek van y = 3Öx
Deze eigenschap zien we in de grafiek van de
|
Afbeelding 1 y=3Öx |
funktie y = 3Öx
terug :
|
Afbeelding 2 y=3Öx y=x3
en de symmetrie-as y=x |
de grafiek van de derdemachtswortel is puntsymmetrich
ten opzichte van de oorsprong O(0,0)
In bovenstaande afbeelding is getekend de grafiek van de funkties:
36
We kunnen de grafiek van deze eerstgenoemde
funktie verkrijgen door de grafiek van de funktie y = x3
te spiegelen ten opzichte van de lijn:
y = x
(Dit komt overeen met het verwisselen van x en y in de vergelijking).
II.8c Vierde machtswortel
Voor de vierde machts wortel geldt:
|
|
hier moeten we net als bij de tweede machtswortel de toevoeging
maken dat y en x positief moeten zijn.
|
Afbeelding
3 y = x4
y = 4Öx en de symmetrie-as
y=x |
Beschouw bijvoorbeeld:
2 × 2 ×
2 × 2 = 16
dus 4Ö16
= 2
-2 × -2 ×
-2 × -2 = 16
dus 4Ö16
= -2
afgesproken is dat deze laatste oplossing niet meedoet. zodat
alleen geldt:
4Ö16 = 2
Zodoende kunnen we ook spreken over de funktie
y = 4Öx
De algemene regel voor n-de machtswortels luidt met n Î Á :
nÖa = b waar bij
n ÎN en n even betekent
bepaal b zodat geldt bn = a en b _
0
nÖa = b waar bij
n ÎN en n oneven betekent
bepaal b zodat geldt bn = a
We verkrijgen een grafiek van y=4Öx
door de halve grafiek van y=x4 te spiegelen ten opzichte van de
lijn y=x. Indien we de andere helft ook spiegelen ten opzichte van de lijn y=x
dan krijgen we de grafiek van y= - 4Öx
II.9 VRAGEN
1 herleid:
38=
(22)½=
39=
40=
41=
42=
2 Bereken:
a 25 + 3 5 =
b 3 × 2 5
- 2 4 =
3 Vereenvoudig :
103 ×10-29
|
|
|
|
|
|
|
|
4 Teken in een figuur de
grafieken van de functies
a f(x) = Öx
b f(x) = 3Öx
c f(x)
= 4Öx
d welke punten hebben de grafieken van a,b,c
gemeenschappelijk?
5 Teken in een figuur de
grafieken van de funkties
a f(x) = x2
b f(x) = x3
c f(x) = x4
d welke punten hebben de
grafieken van a,b,c gemeenschappelijk?
6 vereenvoudig
|
|
|
|
|
|
|
|
7 Teken in een figuur de grafiek van de
funkties f(x) = x5 en g(x)=5Öx
8 Teken in een figuur de grafiek van de funkties
f(x) = x6 en g(x)=6Öx
II.11 Rekenmachine
en K-toets
Voorbeeld 1
Stel je hebt een
bankrekening met ¦ 1000 ,- er op tegen een
rente van 8 % per jaar erbij.
We willen nu met de rekenmachine berekenen hoe het kapitaal groeit
met de loop van de jaren.
We merken eerst op dat een
rente van 8% ( dit heet samengestelde interest) betekent dat na ieder
jaar 8/100 van het bedrag van het jaar ervoor wordt opgeteld bij dat
bedrag: dit komt erop neer dat dat bedrag wordt vermenigvuldigd met
1,08.
II.12a Afleiding
Als het Kapitaal na t jaar gegeven is door : Kt
dan is een jaar later het kapitaal : Kt+1
We kunnen Kt+1 als volgt berekenen:
we nemen 8% van het bedrag Kt en tellen daar het bedrag
Kt bij op:
Kt+1 = 0,08 . Kt + Kt
Hieruit volgt:
Kt+1 = (0,08 + 1 ) Kt = 1,08 . Kt
Hetgeen neerkomt op een jaarlijkse vermenigvuldiging met 1,08.
Dit heet: de groeifaktor is
|
n 1,08n 1 1,08
2 1,1664
3 1,25971
4 1,36049
5 1,46933
6 1,58687
7 1,71382
8 1,85093
9 1,99901
10 2,15893
11 2,33164
12 2,51817
13 2,71962
14 2,93719
15 3,17217
16 3,42594
17 3,70002
18 3,99602
19 4,3157
20 4,66096
|
1,08.
Algemeen geldt:
rentepercentage p% per jaar = vermenigvuldigen met
1 + p/100 ieder jaar = groeifaktor
1+ p/100
Op de rekenmachine is het meestal mogelijk om vermenigvuldiging
met een vast getal in te voeren met behulp van de zogenaamde K-toets:
Toets
|
1,08
|
|
´
|
|
K
|
Soms moet dit ingesteld worden door in te voeren:
|
1,08
|
|
´
|
|
´
|
en verschijnt er een K in
het display
De hiernaast afgebeelde tabel is verkregen door in te toetsen:
|
1,08
|
|
´
|
|
´
|
|
1
|
|
=
|
|
K 1,08
|
en vervolgens te tellen hoe vaak er op gedrukt is.
|
=
|
We zijn nu klaar om een tabel te produceren met de rekenmachine
van de bedragen die ontstaan als we een startkapitaal van ¦
1000 ,- wegzetten tegen een jaarlijkse rente van 8 %
Aannemende dat in het display een K te zien is omdat we de
rekenmachine hebben ingesteld op vermenigvuldigen met de vaste faktor 1,08
TOETS
|
1000
|
|
=
|
er verschijnt:
|
1080
|
|
=
|
|
1166,4
|
|
=
|
|
1259,712
|
enzovoort
We kunnen nu door te tellen hoeveel maal we op de = toets drukken
de volgende tabel maken voor het kapitaal als funktie van het aantal jaar.
|
0 |
1000 |
|
1 |
1080 |
|
2 |
1166,4 |
|
3 |
1259,7 |
Om de tabel te vervolgen volstaat het op de toets te drukken.
|
=
|
We komen op deze funktie terug bij exponentiële functies in
de volgende paragraaf. Kenmerkend voor deze funkties is :als we 1 optellen bij
de inputvariabele, dan moeten we de outputvariabele vermenigvuldigen met een
konstant getal: de groeifaktor . Men spreekt van exponentiële
groei: een gegeven beginhoeveelheid wordt telkens als we 1 [eenheid van
tijd] verder zijn met een groeifaktor g vermenigvuldigd .(voorbeeld 1)
Daarnaast kennen we ook lineaire groei: als we 1 optellen
bij de inputvariabele, dan moeten we een konstant getal optellen bij de
outputvariabele. Bij een gegeven beginhoeveelheid moeten we telkens als we 1
[eenheid van tijd] verder zijn een konstant getal optellen. Zie ook hoofdstuk
II, lineaire funkties en voorbeeld 2.
Voorbeeld 2
De K-toets kan ook gebruikt worden voor het herhaald optellen
.
Stel een taxi rekent de volgende prijzen voor een rit:
voorrijkosten ¦
10,00
gulden/kilometer ¦
0,88
Als we een ritje met zo'n taxi maken kunnen we voor de eerste
kilometers gemakkelijk berekenen hoeveel de eindrekening zal bedragen
TOETS:
|
.88
|
|
+
|
|
+
|
in het display zien we :
|
K 0,88
|
|
K 10.88
|
toets vervolgens:
|
10
|
|
=
|
|
K 11.76
|
|
=
|
|
K 12.64
|
|
=
|
enzovoort.
Door bij te houden hoeveel maal we op gedrukt hebben maken we volgende tabel:
|
=
|
|
0 |
10 |
|
1 |
10.88 |
|
2 |
11.76 |
|
3 |
12.64 |
|
4 |
13.52 |
|
5 |
14.4 |
Er zijn rekenmachines te koop die beschikken over veel uitgebreidere
mogelijkheden berekeningen te herhalen.
Het is ook mogelijk om herhaald een verschil te berekenen of
herhaaldelijk te delen, ga dit zelf na.
|
-
|
herhaald verschil.
|
-
|
|
¸
|
herhaald delen.
|
¸
|
II.13 Getalstelsels
II.14a Breuken, het decimale positiestelsel
We zijn gewend aan het feit dat een getal op verschillende manieren
genoteerd kan worden.
Zo kunnen we bijvoorbeeld schrijven:
|
|
voor sommige getallen krijgen we
|
|
om aan te geven dat er eindeloos veel 3 staan noteert men dit getal
als 0,33
Men spreekt in dit voorbeeld van breuken notatie en van het decimale
positiestelsel. Het feit dat sommige getallen, zoals een derde, alleen als
repeterende breuk te schrijven zijn kan men beschouwen als een nadeel. Daar
staan andere voordelen tegenover, zodat dit in Europa
de standaard notatie is van getallen. In sommige gebieden komen we
toch ook nog veel breukennotatie tegen (bijvoorbeeld wielmaten, bouten en
moeren, veelal wanneer het engelse maten zijn).
Er is nog een getalnotatie: de wetenschappelijke notatie.
II.14c De wetenschappelijke getalnotatie
Soms krijgen we te maken met getallen die erg groot of erg klein
zijn. Bijvoorbeeld :
licht heeft een snelheid :
c = 300 000 000 [meter/sekonde]
Of:
de elektrische lading van een elektron bedraagt:
q = 0,000 000 000 000 000 000 16 [Coulomb]
In plaats hiervan gebruiken we liever de wetenschappelijke
getalnotatie:
schrijf ieder getal in de vorm
|
|
|
|
met a
Î Å
en p Î Í
In bovenstaande voorbeelden krijgen we dan:
c = 3 × 108 [m/s]
q = 1,6 × 10 -19
[C]
Het eerste getal a ligt
altijd tussen 1 en 10. Dit getal moet vermenigvuldigd worden met een macht van
10: in het eerste voorbeeld met 108 , zodat er 8 nullen achter het
getal komen (de komma schuift 8 plaatsen naar rechts). In het tweede voorbeeld
vermenigvuldigen we met 10 -19 zodat er 19 nullen voor het getal
komen (de komma schuift 19 plaatsen naar links).
De rekenmachine gaat vanzelf
over op de wetenschappelijke getalnotatie indien het display te klein wordt
voor de gewone decimale notatie. Bereken bijvoorbeeld:
230 op de
rekenmachine
|
2
|
|
xy
|
|
30
|
|
=
|
|
1.07374 09
|
het antwoord is dus 1,07374 .
109
Indien we een getal willen
invoeren in de wetenschappelijke notatie, gebruiken we de toets:
|
EXP
|
of op sommige rekenmachines:
|
EE
|
Toetsen we bijvoorbeeld
|
4.3
|
|
EXP
|
|
6
|
dan verschijnt in het display:
|
4.3
06
|
we hebben dan ingevoerd
4,3 miljoen.
Om negatieve exponenten in te
voeren gebruiken we de toets:
|
±
|
|
4
|
|
EXP
|
|
6
|
|
±
|
in het display verschijnt:
|
4. -06
|
we hebben ingevoerd 4
miljoenste.
II.15 OPGAVEN
1 Los op met behulp van de K toets op de rekenmachine:
Voor welke n Î N geldt:
a 1,07n > 2
b 2n > 106
c ½ n < 0,001
d 0,9 n < 0,3
2 Gegeven de formule :
c = f λ
met c = 3 . 108
[m/s]
en λ = 3 . 10-10
[m]
a bereken f
b welke eenheid heeft f?
3 Bereken (met de rekenmachine)
a (2,2. 1015 )x(3,7.108)
b (1,9.1014) x (7,25.10-12)
c 2,28 . 106 x 4,15 . 10 4 x 1,7 . 10-3
d 6,78364 . 10-17 x 1,05467 . 105 : (1,987 .
10-7)
II.17 De
exponentiële funktie
|
Afbeelding 4 grafiek van
f(x) = 2x |
In §1 zijn de rekenregels voor exponenten behandeld
Nu kunnen we de exponentiële
funktie gaan bestuderen.
Als voorbeeld nemen we de
exponentiële funktie met grondtal 2.
f(x) = 2 Fout! Bladwijzer niet
gedefinieerd.x
|
f(0) = 1 |
|
|
f(1) = 2 |
f(-1) = 0,5 |
|
f(2) = 4 |
f(-2) = 0,25 |
|
f(3) = 8 |
f(-3) = 0,125 |
|
f(4) = 16 |
f(-4) = 0,0625 |
|
f(5) = 32 |
f(-5) = 0,03125 |
Df = Å
alle reële getallen kunnen
dienen als input voor de funktie.
Voor de output y (y = f(x))
geldt steeds:
y > 0
De funktie f is dus altijd
positief; er zijn dus geen nulpunten en het bereik is de verzameling van
positieve reële getallen:
Bf = Å+.
Indien we voor x een steeds
groter negatief getal invullen in de funktie dan komt de waarde van y steeds
dichter bij y = 0 te liggen. De waarde y = 0 wordt echter nooit bereikt. We konkluderen
dat de lijn
y=0 (dat is de x-as)
een horizontale asymptoot is
van de funktie (voor zeer grote negatieve waarden van x).
II.19 VRAGEN
1a Teken de grafiek van
f(x) = 2Fout! Bladwijzer niet
gedefinieerd.-xFout! Bladwijzer niet
gedefinieerd.
op het interval Df =
[-5,5]
b geef de vergelijking van de asymptoot van f
c hoe kunnen we de grafiek van f verkrijgen uit de grafiek van
y = 2x
2 Lees onderstaande beweringen goed door:
I De funktie f(x) = -2x
is altijd negatief
II De asymptoot van de funktie
f(x) = -2x is de lijn y = 0 (de x-as)
abeide beweringen zijn juist
b alleen bewering I is juist
calleen bewering II is juist
d beide beweringen zijn onjuist
3 Lees onderstaande beweringen goed door:
I De funktie f(x) = 2x
heeft als eigenschap dat f(p+q)=f(p).f(q) voor ieder getal p, q Î Å.
II De funktie f(x) = 2x
heeft geen nulpunten
abeide beweringen zijn juist
b alleen bewering I is juist
calleen bewering II is juist
d beide beweringen zijn onjuist
II.21 De
exponentiële funktie bij verschillende waarden van het grondtal.
In de vorige paragraaf hebben
we de grafiek van de funktie
y = 2x
bestudeerd. We gaan nu
onderzoeken wat de grafiek wordt van de exponentiële funktie
|
|
voor verschillende waarden van
het grondtal g.
Opdracht: neem bijvoorbeeld g = -2 en ga na wat
er gebeurt als we een negatief grondtal kiezen.
Eerste afspraak is dus
dat we alleen werken met positieve grondtallen.
Opdracht : neem ook g = 0 . Ga na wat de funktie f dan is
Opdracht : neem ook g = 1 . Ga na wat de funktie f dan is
We maken dus de afspraak:
g > 0 en g ¹ 1
|
Afbeelding 5 f(x)=2x h(x)=3x |
Immers voor negatieve waarden
van g is de funktie negatief of positief al naar gelang de inputwaarde x even
of oneven is, en voor g = 0 en g = 1 krijgen we als grafiek de
horizontale lijnen y = 0 respectievelijk y = 1.
We gaan nu eerst bekijken :
g > 1
Voor g =2 is de grafiek
al getekend in de vorige paragraaf.
In bovenstaande figuur zijn
getekend de grafieken van
f(x) = 2x
en h(x) = 3x
|
tabel f(x)=2x x y -3 1/8 -2 1/4 -1 1/2 0 1 1 2 2 4 3 8
|
|
tabel g = 3x x y -3 1/27 -2 1/9 -1 1/3 0 1 1 3 2 9 3 27
|
Voor beide functies geldt :
Domein = Å
funktie overal stijgend
bereik is positieve reële getallen Å+
x-as (y=0) asymptoot voor
grote negatieve getallen x
funktie gaat door punt (0,1)
Deze eigenschappen gelden voor
alle grondtallen g > 1
We zien ook dat:
3x > 2x
indien x > 0
3x < 2x
indien x < 0
3x = 2x =
1 indien x=0
Voor grondtallen g met 0
< g < 1
gelden enigszins andere
eigenschappen. In onderstaande afbeelding is als voorbeeld getekend de
grafieken van de funkties
f(x) = (½)x en h(x) = (_)x
Voor beide functies geldt
Domein = Å
funktie overal dalend
bereik is positieve reële getallen
x-as (y=0) asymptoot voor
grote positieve getallen x
funktie gaat door punt (0,1)
|
Afbeelding 6 f(x)=(½)x h(x)=(_)x |
Deze eigenschappen gelden
voor alle grondtallen 0 < g < 1
We zien ook dat
(1/3)x < (1/2)x
indien x > 0
(1/3)x > (1/2)x
indien x < 0
3x = 2x =
1 indien x=0
|
Tabel f x y -3 8 -2 4 -1 2 0 1 1 1/2 2 1/4 3 1/8
|
|
tabel h x y -3 27 -2 9 -1 3 0 1 1 1/3 2 1/9 3 1/27
|
Indien we ook de funktie
f(x) = g-x
gebruiken kunnen we volstaan
met de afspraak dat we uitsluitend werken met grondtallen g > 1.
Voor bijvoorbeeld de funktie
f(x) = (1/2)x kunnen
we namelijk ook schrijven
f(x) = (1/2)x=1x/2x=1/2x=2-x
Op deze wijze kunnen alle
funkties waarin grondtallen g met 0<g<1 voorkomen herschreven worden
in funkties met een grondtal groter dan 1 maar dan met een negatieve
exponent.
II.23 Exponentiële
vergelijkingen
Uit de grafiek van de funktie
f(x) = gx
volgt de volgende regel:
ga = gb Û a=b
(ga dit na).Deze regel hebben
we nodig als we een exponentiële vergelijking oplossen zoals:
2x = 8.
Oplossing:
2x = 8 = 23 dus x = 3.
Exponentiële funkties komen in
de praktijk veel voor.
In de volgende paragraaf geven
we drie voorbeelden:
-groei van een bacteriecultuur
-afname van radioactiviteit
-kapitaalgroei
N.B.:Ook voor exponentiële
vergelijkingen van grootheden waarin eenheden voorkomen geldt dat de eenheden
links en rechts van het = teken gelijk moeten zijn. Een exponent heeft geen
eenheid; in een uitdrukking zoals
y = 2t waarin t de
tijd voorstelt is dus een schaling verwerkt zodanig dat de eenheid van tijd
wegvalt. Indien bijvoorbeeld de tijd in uren gegeven wordt, is gedeeld door de
eenheid uur zodat alleen een getal zonder eenheid over blijft.
II.25 Toepassingen
Voorbeeld 3
In een bepaald voedingsmiddel
zitten bacteriën. Onder gunstige omstandigheden blijkt het aantal bacteriën
zich ieder half uur te verdubbelen. Stel dat er op tijdstip t =
0 1000 bacteriën aanwezig zijn.
Geef het funktievoorschrift
voor het aantal bacteriën N als funktie van de tijd, en bepaal de groeifaktor.
Oplossing
ga na:
t N
[halve uren]aantal bacteriën
t=0 N=1000
t=1 N=2000
t=2 N=4000
t=3 N=8000
t willekeurig [halve uren]: N(t) = 1000 . 2T
De groeifaktor [per halfuur] is
dus 2:
t=0 N=1000
+1´2
t=1 N=2000
+1´2
t=2 N=4000
+1´2
t=3 N=8000
In het algemeen geldt voor het
aantal N bij exponentiële groei:
N(t) = N(0) . gt
Men spreekt in dit verband ook
van N0 = N(0) als de beginhoeveelheid en g als de groeifaktor.
Bedenk dat de groeifaktor afhangt van de gekozen eenheid van tijd: verdubbeling
per halfuur is verviervoudiging per uur, als we de eenheid van tijd uren nemen
dan is dus de groeifaktor g = 4.
Voorbeeld 4
Een radioaktief preparaat bevat
radioaktief Natrium dat vervalt tot Magnesium.
56
Het radioaktieve isotoop
57 heeft 11 protonen en 13 neutronen in de atoomkern. Onder uitzending
van een elektron en γ-straling ontstaat
58 bestaande uit 12 protonen
en 12 neutronen.
Het aantal aanwezige
natriumatomen is een exponentiële funktie van de tijd. Het aantal aanwezige
atomen van het Natriumisotoop neemt af; we hebben dus een dalende exponentiële
funktie. Het grondtal g is dus kleiner dan een.
Na zekere tijd (genaamd de
halfwaardetijd) is nog maar de helft over van de oorspronkelijk aanwezige
hoeveelheid van het Natriumisotoop.
Voor de halfwaardetijd gebruiken
we meestal τ (tau = de griekse letter t)
In dit voorbeeld geldt:
τ = 14,8 uur
Het funktie voorschrift van het
aanwezige aantal Natriumatomen luidt:
N(t) =N(0).2-t/14,8
Opdracht: Ga na met behulp van dit funktievoorschrift
dat na een tijd t = 14,8 inderdaad de helft van de in het begin aanwezige hoeveelheid
Natriumatomen over is.
Ga ook na hoeveel er nog over
is na een tijd die twee maal de halveringstijd is:
t = 29,6 uur
Ga ook na dat we kunnen spreken
van een exponentiële funktie met groeifaktor 0,5 per eenheid van tijd =
14,8 uur.
Wat is de asymptoot van deze
funktie? geef een verklaring.
Voorbeeld 5
Een bank rekent rente van 8%
per jaar
Stel je zet een startkapitaal K0
van ¦1000,- op de bank
Na een jaar heb je dan :
K1 = 0,08.1000 +
1000 = (0,08+1).1000 = 1,08.1000 = ¦1080,-
Na 2 jaar heb je
K2 = 0,08.1080 +
1080 = (0,08+1).1080 = 1,08.1080 = 1,08.1,08.1000 = 1,082 . 1000 = ¦ 1166,40
Na 3 jaar:
K3 = 1,083
. 1000 = ¦ 1259,71
Na n jaar , n Î N
Kn = 1,08n
. 1000
Beginhoeveelheid K0
= 1000.
Groeifaktor g = 1,08
[per jaar]
Na tien jaar is het kapitaal
van 1000 gulden al meer dan verdubbeld, na 15 jaar al meer dan verdrievoudigd.Na
30 jaar is het bedrag van 1000 gulden meer dan vertienvoudigd :
K30 = ¦ 10626,57
De banken hanteren dan ook
bepalingen die het onmogelijk maken om geld gedurende zeer lange tijd vast te
zetten.
Algemeen:
p% rente betekent grondtal
59
zie voorbeeld 1
Opdracht: Bereken de
groeifaktor per dag, per week en per maand voor dit voorbeeld.
|
Afbeelding
7 stroomsnelheid
= exponentieel dalend |
bedenk dat bijvoorbeeld voor g per maand
geldt: g12 = 1,08
Voorbeeld 6
Twee open vaten staan met elkaar
in verbinding via een open buis die afgesloten wordt met een kraan. Wordt de
kraan open gedraaid dan stroomt het water eerst snel naar het andere vat, geleidelijk
langzamer omdat het drukverschil tussen de vaten kleiner wordt.
Meet men de stroomsnelheid van
het water bij de kraan, dan is dit bij
een exponentieel dalende funktie van de tijd.(vergelijk voorbeeld 7)
Voorbeeld 7
Een schakelaar sluit een
RC-kring (Weerstand Condensator). De stroomsterkte I in Ampère is een exponentieel
dalende funktie van de tijd.
Hiervoor geldt de formule
|
|
waarbij R en C de waarden van de kondensator en de weerstand
voorstellen. In dit kader spreekt men van de RC-tijd.
|
Afbeelding 8 RC tijd |
Exponentiële funkties komen in de praktijk zeer veel voor. Een belangrijk
kenmerk van een exponentiële funktie is het volgende: bij de exponentiële
funktie is de toename evenredig met de reeds aanwezige hoeveelheid. Dit
geldt ook indien we een afname ( = negatieve toename) hebben.
Ga dit principe na voor de voorbeelden die gegeven zijn in dit
hoofdstuk van exponentiële funkties.
II.27 SAMENVATTING
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
gelden voor:
a > 0 , b > 0 , a Î
Å+ , b Î
Å+ , p Î
Å , q Î
Å
-Öx =2Öx = x½ 3Öx = x_ 4Öx = x¼
- y = Öx Û y2 = x
en y ³ 0
y = 3Öx Û y3 = x
y = 4Öx Û y4 = x
en y ³ 0
y = 5Öx Û y5 = x
y
= 6Öx Û
y6 = x en y ³ 0 enzovoort
-wetenschappelijke
getalnotatie
Iedere getal x Î Å is te schrijven als
x
= a × 10p
waarbij a Î Å
zodanig dat
1 £
a < 10 en p Î Í
dus bijvoorbeeld 345,67=3,4567
. 102
0,023 = 2,3 . 10-2
-De exponentiële funktie f(x) = 2x heeft domein Df = Å
Bereik Bf = Å+ is overal stijgend en heeft als asymptoot de
x-as (voor negatieve grote waarden x)
-De
exponentiële funktie f(x) = 2-x (is ook f(x)=½x )heeft domein
Df = Å ,Bereik Bf = Å+
, is overal dalend en heeft als asymptoot de x-as (voor positieve grote
waarden x)
- gx = gA Û x =
A
dus bijvoorbeeld 3x
= 34 Û
x = 4
- exponenten bevatten geen
eenheden
II.29 OPGAVEN
1Karel
zet ¦ 5000,- op de bank tegen een rente van 7%.
a Bereken hoeveel geld
Karel heeft na 1 jaar, 2 jaar, 3 jaar , 5 jaar 10 jaar en 20 jaar
b Na een half jaar haalt
Karel zijn geld van de bank. Hoeveel rente krijgt hij over dit halve jaar?
c Wat is de rente per dag
als de rente per jaar 7% is?
2 Een bakteriesoort heeft
als eigenschap dat de populatie ieder half uur verdubbelt. In een salade
bevinden zich om 12 uur 's middags 100 bacteriën.
a Geef een formule voor het
aantal aanwezige bacteriën als funktie van de tijd (in halve uren).
b Hoeveel bacteriën waren
er aanwezig om 3 uur 's middags?
c Hoeveel bacteriën waren
er aanwezig om 6 uur 's avonds ?
d De keuringsdienst van
waren keurt de salade af als er zich meer dan
50000 bacteriën in de salade bevinden. Om 7 uur kontroleert men de
salade. Wordt deze afgekeurd voor konsumptie?
e Ga ook na wanneer er zich
één bakterie in de salade heeft bevonden.
3 Teken de grafiek van de
funktie
f(x) = 4.3x
op het interval [-3,3]
Teken in dezelfde figuur ook de grafiek van de funktie
g(x) = 3x
4 Teken de grafiek van de funktie
f(x) = 3.2-x
op het interval [-3,3]
Teken in dezelfde figuur ook de grafiek van de funktie
g(x) = 2-x
5 De halveringstijd van
Men stelt vast dat een gesteente nog maar 12,5% van de oorspronkelijk
aanwezige hoeveelheid
De maximale ouderdom die met de
Geef een funktievoorschrift voor de aanwezige hoeveelheid koolstof
14 als funktie van de tijd; noem hierin de beginhoeveelheid N0.
6 Een Zeppelin bevat
Geef het funktievoorschrift van de aanwezige hoeveelheid draaggas
als funktie van de tijd (per week)
De Zeppelin kan niet meer vliegen als er nog maar
nb in het volgende hoofdstuk zullen we laten zien hoe je het
antwoord exact kunt bepalen met behulp van logaritmes.
7 Teken de grafiek van de volgende functies.
Geef steeds :
het Domein het Bereik
eventuele snijpunten met de x of y-as eventuele asymptoten.
f(x)
= 2x -3
g(x)
= 2-x-5
h(x)
= 3-x + 1
j(x)
= 10(x+10)
k(x)
= -2x
l(x)
= -2-x
m(x)
= -3-(x+4)
8 Schrijf de exponentiële functies zo dat het
grondtal > 1
f(x) = (¼)x
g(x) = (_)x
h(x) = (_)x
j(x) = 0,3x
k(x) =
69
9 Welke bewering is juist?
I Als x < 0 dan is 3x < 4x
II Als x > 0 dan is 3x > 4x
aI.
en II. zijn beide juist
bAlleen
I. is juist
cAlleen
II. is juist
dI.
en II. zijn beide onjuist
10 Los op:
2x = 16
3x = 27
4x = 64
5x
= 25
11 Een geld bedrag van ¦
10000,- wordt geleend tegen 5% rente.
Het geleende bedrag moet inklusief rente in een maal terug
betaald worden.
a Hoeveel moet er terugbetaald worden na één
jaar?
b Hoeveel moet er terugbetaald worden na vijf
jaar?
c Hoeveel moet er terugbetaald worden na n
jaar, n ÎÁ?
12 Radioaktief isotoop A vervalt in element B
met een halfwaarde tijd van 10 jaar. Er is een beginhoeveelheid A0
aanwezig :
A0 =
Schrijf een funktievoorschrift op voor de massa van A als funktie
van de tijd t
Maak een tabel van A(t) voor t Î {10,
20, ... , 100 }
Teken een grafiek van A(t) . zet eenheden langs de assen.
13 Een bacteriecultuur groeit exponentieel. Op t
= 0 zijn er N=10000 bacteriën aanwezig. Op t=10 [uur] zijn er N=100 000
bacteriën aanwezig.
Geef het funktievoorschrift N(t)
14 Lees onderstaande beweringen goed door:
I
70 II
71
aI.
en II. zijn beide juist
bAlleen
I. is juist
cAlleen
II. is juist
dI.
en II. zijn beide onjuist
15 Lees onderstaande beweringen
goed door:
I
72
II
73
aI. en II. zijn beide juist
bAlleen I. is juist
cAlleen II. is juist
dI. en II. zijn beide onjuist
|
Afbeelding 9 bepaal het
funktievoorschrift... |
16bepaal
het funktievoorschrift:
|
|