I. Exponentiële funkties

 

II.1� Rekenregels voor exponen­ten

 

Een voor­beeld:

 

3 + 3 + 3 + 3 + 3 = 5 × 3 = 15

              

       5 x

 

Vijf getal­len 3 bij elkaar optel­len is vijf ver­me­nigvul­digen met 3.

 

alge­mene regel:

                                

a + a + a + a + ... + a  = n × a

                              

          n x

 

voor wil­lekeurige a Π Å   en n Π Á

 

ander voor­beeld:

                                    

 3 ×  3 ×  3 ×  3 ×  3 = 35= 243

 

Men spreekt van grondtal 3 met exponent 5

 

Vijf getallen 3 met elkaar vermenigvuldigen is

3 tot de macht 5

 

algemene regel:

 

a × a × a × a × a × a    .....  × a  = a n

                                

              n x

 

voor a Î Å en n Î Á

 

grondtal a en exponent n.

 

In onderstaand overzicht zijn alle rekenregels die gelden voor exponenten op een rij gezet. De meeste ken je hopelijk.

Daaropvolgend zijn we de rekenregels voor expo­nenten nog eens nagegaan aan de hand van een­voudige getallen­voorbeelden.


II.3� Overzicht rekenregels voor exponenten

 

i1

 

ii2

 

iii3

 

iv4

 

v5

 

vi6

 

vii7

 

viii8

 

 

II.4�a�          Verant­woording rekenregels voor ex­ponenten

 

Aan de hand van een paar voor­beel­den gaan we de re­ken­re­gels nog eens na. Allereerst de hoofdei­gen­schap van expo­nen­ten:

 

19

neem bijvoorbeeld

p=3 q=4

dan is

a3 × a4  = (  a × a × a  ) × ( a × a × a × a )

        =    a × a × a × a × a × a × a

        =  a7

3 + 4 = 7

 

ii10

neem bijvoorbeeld p = 2 en q = 3

 dan is 

(a2)3 = a2  × a2  × a2

       =  ( a  × a  ) × ( a  × a ) × ( a  × a )

       =  a  × a  × a  × a  × a  × a

       = a 6

 

2 × 3 = 6

 

iii11

neem bijvoorbeeld p = 5 en q = 2

 

 

                 

12

5 - 2 = 3

 

Indien p = 2 en q = 5 dan volgt

                

13

hiermee zien we ook

 

iv  14

 

Als we nemen :

 

p = q en toepassen

 

(iii)15dan volgt

                 

16

anderzijds geldt:

                

17

Hieruit volgt:

 

v18

 

geldt voor ieder getal a.

 

Nu zullen we een voorbeeld geven van:

 

vi19

20

neem bijvoorbeeld: p = 3dan geldt

21

In deze voorbeelden van de rekenregels voor ex­ponenten hebben we gewerkt met exponenten uit de verzameling natuurlijke ge­tallen  = { 0, 1 , 2, .... } = Á

en ook met getallen uit de verzameling gehele getallen

= { ... , -3, -2, -1, 0 , 1 , 2, ,3 , .... } = Í

 

Zonder nadere toelichting beweren we nu dat de rekenre­gels voor exponenten ook geldig zijn voor alle rationale getallen uit Ä, we beweren zelfs dat de rekenregels voor exponenten geldig zijn voor alle reële  ge­tal­len uit Å.

 

De rekenregels voor exponenten gelden DUS voor alle expo­nenten p, q uit Å.

 

II.5� Gebroken exponenten ,Grondtal

 

Voor het grondtal nemen we alleen posi­tieve ge­tallen ongelijk 0 en ongelijk 1.

Dit zullen we zo nader toelichten, eerst kijken we wat het eigenlijk betekent als we in plaats exponenten be­staande uit ­ge­hele ge­tal­len een ex­ponent nemen die bijvoor­beeld een breuk is.

Wat zouden we willen verstaan onder:

22?

We willen dat de hoofdeigenschap blijft gelden:

                    

23

BLIJKBAAR GELDT:24

 

Evenzo kunnen we vragen naar de betekenis van:

25

De hoofdeigenschap moet gel­den, zodat

BLIJKBAAR GELDT:26

want volgens de hoofdeigenschap:

27

We kijken niet naar de volgende grond­tal­len:

 

igrondtal a = 1

omdat voor ieder getal x geldt

                    

28

(de rekenregels gelden wel maar hebben wei­nig praktisch nut)

 

iigrondtal a = 0

 

Delen door nul mag nooit;

dus in formules waar gedeeld wordt, zoals

                   

29

mag a niet gelijk zijn aan nul.

Er geldt:

                    

30

als x positief; als x negatief: mag niet. Wederom heeft dit weinig praktisch nut.

 

iiigrondtal a < 0

Voor negatieve grondtallen ko­men we al snel in de moei­lijkhe­den te­recht als we gaan rekenen.

Å

Zo bestaat -11/2 niet in de ver­zameling reële ge­tallen ; de wor­tel uit -1 be­staat niet omdat wortels alleen be­staan van posi­tieve ge­tal­len. Boven­dien krijgen we bij een even ex­ponent een po­si­tieve uit­komst, bij een oneven exponent een nega­tieve uit­komst, bij­voorbeeld:

-12 = 1

-13  = -1

-14 = 1

-15  = -1

enz.

Algemeen:

We gaan dus steeds uit van grondtallen met de volgen­de ei­genschappen:

In de uitdruk­king 32 is p Î Å

a Î Å+\{1}

a positief reëel getal

a ¹ 0

a ¹ 1

 

II.7� Hogere machts wortels

 

In de vorige paragraaf hebben we gezien dat we de funk­tie wortel op drie manieren kunnen schrijven:

 

                  

33

In plaats van wortel spreekt men ook van tweede machts wortels ( of vierkantswortels), het cij­fer wee wordt dan in het wor­tel­teken ge­plaatst. In­dien er niets ge­plaatst wordt , is al­tijd de tweede machtswortel bedoeld. We herinneren nog eens aan de afspraak die ge­maakt is bij de in­voering van wortels:

 

              

34

in die zin is wortel trekken het omge­keerde van kwadrate­ren.(zie hoofdstuk IV).

 

In plaats van tweedemachts­wortels kennen we ook derde­machts­wortels, vierde machts wortels, en­zo­voorts.

                 

35

Het is bij een oneven machtswor­tel mo­gelijk dat x ne­gatief is; dan geldt te­vens dat y negatief is.

 

II.8�a�          derde machtswortel

 

Er geldt bijvoorbeeld:

 

2 × 2 × 2 = 8   dus    3Ö8 = 2

 

-2 × -2 × -2 = -8   dus    3Ö-8 = -2

 

Op de grafiek van de funktie y = 3Öx liggen de punten

( 2 , 8 ) en    ( -2 , -8 ).

In het alge­meen geldt:

als het punt P (xp,yp)ligt op de grafiek van de funktie

y = 3Öx

dan ligt ook het punt met koor­di­naten (-xp, -yp) op de gra­fiek van y = 3Öx

Deze ei­gen­schap zien we in de grafiek van de


 

Afbeelding 1 y=3Öx

funktie y = 3Öx terug :

Afbeelding 2 y=3Öx y=x3 en de symme­trie-as y=x

de grafiek van de der­demachtswortel is punts­ym­me­trich ten op­zich­te van de oor­spr­ong O(0,0)

 

In bovenstaande af­beel­ding is ge­te­kend de gra­fiek van de funk­ties:

     36       

 

We kun­nen de grafiek van deze eerstgenoemde


funktie verkrijgen door de gra­fiek van de funk­tie y = x3

te spie­gelen ten op­zichte van de lijn:

 

y = x

 

(Dit komt over­een met het ver­wis­selen van x en y in de verge­lij­king).

 

II.8�c�          Vierde machtswortel

Voor de vierde machts wor­tel geldt:

 

             

37

hier moeten we net als bij de tweede machtswor­tel de toevoe­ging maken dat y en x positief moeten zijn.

Afbeelding 3 y = x4 y = 4Öx en de symmetrie-as y=x

 

Beschouw bijvoor­beeld:

 

2 × 2 × 2 × 2 = 16    dus    4Ö16 = 2

 

-2 × -2 × -2 × -2 = 16    dus    4Ö16 = -2

 

afgesproken is dat deze laatste oplossing niet meedoet. zodat alleen geldt:

4Ö16 = 2

Zodoende kun­nen we ook spre­ken over de funk­tie

y = 4Öx

 

De al­gemene regel  voor n-de machtswortels luidt met n Î Á :

 

nÖa = b   waar bij  n ÎN en n even betekent

 

bepaal b zodat geldt bn = a  en  b _ 0

 

nÖa = b   waar bij  n ÎN en n oneven betekent

 

bepaal b zodat geldt bn = a 

We verkrijgen een grafiek van y=4Öx door de hal­ve gra­fiek van y=x4 te spiegelen ten opzichte van de lijn y=x. Indien we de andere helft ook spiege­len ten opzichte van de lijn y=x dan krij­gen we de grafiek van y= - 4Öx


II.9� VRAGEN

 

1    herleid:

38=

(22)½=

39=

40=

41=

42=

 

2    Bereken:

 

a    25 + 3 5 =

 

b    3 × 2 5  - 2 4 =

 

3    Vereenvoudig :

103 ×10-29

 

                   

43

                   

44

                   

45

                   

46

 

4    Teken in een figuur de grafieken van de functies

 

a    f(x) = Öx

 

b    f(x) = 3Öx

 

c    f(x) = 4Öx

 

d    welke punten hebben de grafieken van a,b,c ge­meenschappelijk?

5    Teken in een figuur de grafieken van de funkties

 

a    f(x) = x2

 

b    f(x) = x3

 

c    f(x) = x4

 

d    welke punten hebben de grafieken van a,b,c ge­meenschappelijk?

 

6    vereenvoudig

 

                 

47

 

                  

48

 

               

49

                  

50

7    Teken in een figuur de grafiek van de funkties f(x) = x5 en g(x)=5Öx

 

8    Teken in een figuur de grafiek van de funk­ties f(x) = x6 en g(x)=6Öx


II.11�        Rekenmachine en K-toets

 

Voorbeeld 1

Stel  je hebt een bankrekening met ¦ 1000 ,- er op tegen een rente van 8 % per jaar erbij.

We willen nu met de rekenmachine berekenen hoe het kapitaal groeit met de loop van de jaren.

 We merken eerst op dat een rente van 8% ( dit heet sa­menges­telde interest) betekent dat na ie­der jaar 8/100 van het bedrag van het jaar er­voor wordt opgeteld bij dat bedrag: dit komt erop neer dat dat bedrag wordt ver­me­nig­vul­digd met 1,08.

 

II.12�a�        Afleiding

Als het Kapitaal na t jaar gegeven is door : Kt

dan is een jaar later het ka­pitaal : Kt+1

We kunnen Kt+1 als volgt bere­kenen:

we nemen 8% van het be­drag Kt en tellen daar het bedrag Kt bij op:

Kt+1 = 0,08 . Kt + Kt

 

Hieruit volgt:

 

Kt+1 = (0,08 + 1 ) Kt = 1,08 . Kt

 

Hetgeen neerkomt op een jaar­lijkse vermenigvul­di­ging met 1,08. Dit heet: de groeifaktor is

n        1,08n 

        

1        1,08

2          1,1664

3          1,25971

4          1,36049

5          1,46933

6          1,58687

7          1,71382

8          1,85093

9          1,99901

10          2,15893

11          2,33164

12          2,51817

13          2,71962

14          2,93719

15          3,17217

16          3,42594

17          3,70002

18          3,99602

19          4,3157

20          4,66096

XV

1,08.

 

Algemeen geldt:

rentepercentage p% per jaar = vermenigvuldigen met 1 + p/100  ieder jaar = groei­faktor 1+ p/100

 

Op de rekenmachine is het meest­al mogelijk om verme­nig­vuldi­ging met een vast getal in te voe­ren met be­hulp van de zoge­naamde K-toets:

 

Toets

 

1,08

1

 

´

2

K

3

 

Soms moet dit inge­steld wor­den door in te voe­ren:

 

1,08

4

 

´

5

´

6

 

en verschijnt er een K in


het display

 

De hiernaast afgebeelde ta­bel is ver­kregen door in te toet­sen:

 

 

1,08

7

   

´

8

´

9

1

10

=

11

 

K

1,08

12

 

 

en vervolgens te tellen hoe vaak er op  ge­drukt is.

=

13

 

We zijn nu klaar om een tabel te produceren met de re­kenma­chine van de bedragen die ontstaan als we een startkapitaal van ­¦ 1000 ,- wegzetten tegen een jaar­lijkse rente van 8 %

 

Aannemende dat in het display een K te zien is omdat we de rekenmachine hebben ingesteld op vermenigvuldigen met de vaste faktor 1,08

TOETS

 

1000

14

  

=

15

 

er verschijnt:

 

1080

16

 

 

=

17

 

 

1166,4

18

 

 

=

19

 

 

1259,712

20

 

 

enzovoort

 

We kunnen nu door te tellen hoeveel maal we op de = toets druk­ken de volgende tabel maken voor het kapitaal als funktie van het aantal jaar.

0

1000

1

1080

2

1166,4

3

1259,7

Om de tabel te vervolgen volstaat het op de  toets te druk­ken.

=

21

We komen op deze funktie terug bij exponentiële functies in de volgende paragraaf. Kenmerkend voor deze funkties is :als we 1 optellen bij de inputvariabele, dan moeten we de outputvariabe­le vermenigvuldigen met een konstant getal: de groei­fak­tor . Men spreekt van exponentiële groei: een gegeven beginhoeveelheid wordt tel­kens als we 1 [eenheid van tijd] verder zijn met een groei­faktor g vermenigvuldigd .(voorbeeld 1)

Daarnaast kennen we ook lineaire groei: als we 1 optellen bij de inputvariabele, dan moeten we een kon­stant getal optellen bij de outputva­ria­be­le. Bij een gegeven beginhoeveelheid moeten we telkens als we 1 [eenheid van tijd] verder zijn een kon­stant getal optellen. Zie ook hoofdstuk II, lineaire funkties en voorbeeld 2.

 

Voorbeeld 2

De K-toets kan ook gebruikt worden voor het her­haald optellen .

Stel een taxi re­kent de volgende prijzen voor een rit:

 

voorrij­kosten    ¦ 10,00

gul­den/ki­lometer ¦ 0,88

 

Als we een ritje met zo'n taxi ma­ken kunnen we voor de eerste kilome­ters ge­mak­kelijk berekenen hoeveel de eind­rekening zal be­dragen

TOETS:

 

.88

22

    

+

23

+

24

 

in het display zien we :

K

0,88

25

 

 

K

10.88

26

 

 

toets ver­volgens:

 

10

27

 

=

28

 

 

K

11.76

29

 

 

 

=

30

 


 

K

12.64

31

 

 

=

32

 

 

 

 

enzo­voort.

Door bij te hou­den hoeveel maal we op  gedrukt hebben maken we volgende tabel:

=

33

0

10

1

10.88

2

11.76

3

12.64

4

13.52

5

14.4

 

Er zijn rekenmachines te koop die beschikken over veel uit­gebreidere mogelijkheden berekenin­gen te herhalen.

 

Het is ook mogelijk om herhaald een verschil te berekenen of herhaaldelijk te delen, ga dit zelf na.

-

34

 herhaald verschil.

-

35

 

¸

36

  herhaald delen.

¸

37


II.13�        Getalstelsels

 

 

II.14�a�        Breuken, het decimale positiestelsel

 

We zijn gewend aan het feit dat een getal op verschillende manieren genoteerd kan worden.

 

Zo kunnen we bijvoorbeeld schrijven:

                   

51

voor sommige getallen krijgen we

                  

52

om aan te geven dat er eindeloos veel 3 staan noteert men dit getal als 0,33

 

Men spreekt in dit voorbeeld van breuken notatie en van het deci­male positiestelsel. Het feit dat sommige getallen, zoals een derde, alleen als repeterende breuk te schrijven zijn kan men be­schouwen als een na­deel. Daar staan andere voor­delen tegen­over, zodat dit in  Europa  de stan­daard no­ta­tie is van ge­tal­len. In sommige ge­bieden komen we toch ook nog veel breukenno­tatie tegen (bijvoor­beeld wielma­ten, bouten en moeren, veelal wan­neer het engel­se maten zijn).

 

Er is nog een getalnotatie: de wetenschappelijke notatie.

 

II.14�c�        De wetenschappelijke getalnotatie

 

Soms krijgen we te maken met getallen die erg groot of erg klein zijn. Bijvoorbeeld :

licht heeft een snelheid :

 

c = 300 000 000 [meter/sekonde]

Of:

de elektrische lading van een elektron bedraagt:

 

q = 0,000 000 000 000 000 000 16 [Coulomb]

 

In plaats hiervan gebruiken we liever de weten­schappelij­ke getalnotatie:

schrijf ieder getal in de vorm

                   

53

                  

54

met a Î Å en p Î Í

 

In bovenstaande voorbeelden krijgen we dan:

 

c = 3 × 108  [m/s]

q = 1,6 × 10 -19 [C]

 

Het eerste getal a ligt altijd tussen 1 en 10. Dit getal moet vermenigvuldigd worden met een macht van 10: in het eerste voorbeeld met 108 , zodat er 8 nullen achter het getal komen (de komma schuift 8 plaatsen naar rechts). In het tweede voor­beeld vermenigvuldi­gen we met 10 -19 zodat er 19 nullen voor het getal komen (de kom­ma schuift 19 plaatsen naar links).

 

De rekenmachine gaat vanzelf over op de weten­schappelijke ge­talnotatie indien het display te klein wordt voor de gewone decimale notatie. Bereken bijvoorbeeld:

230 op de rekenmachine

 

2

38

    

xy

39

30

40

=

41

1.07374   09

42

 

     

het antwoord is dus 1,07374 . 109

 

Indien we een getal willen invoeren in de weten­schappelijke notatie, gebruiken we de toets:

 

EXP

43

  of op sommige rekenmachines:   

EE

44

 

Toetsen we bijvoorbeeld

 

4.3

45

        

EXP

46

6

47

 

dan verschijnt in het display:

   4.3      06

48

 

 

 

we hebben dan ingevoerd 4,3 miljoen.

 

Om negatieve exponenten in te voeren gebruiken we de  toets:

±

49

 

4

50

          

EXP

51

6

52

±

53

 

in het dis­play verschijnt:

4.     -06

54

 

 

 

we hebben in­ge­voerd 4 miljoenste.

 

II.15�        OPGAVEN

 

1    Los op met behulp van de K toets op de rekenma­chine:

 

Voor welke n Î N geldt:

 

a    1,07n  > 2

 

b    2n > 106

 

c    ½ n < 0,001

 

d    0,9 n < 0,3

 

2    Gegeven de formule :

 

c = f λ

 

met c = 3 . 108 [m/s]

en λ = 3 . 10-10 [m]

a    bereken f

b    welke eenheid heeft f?

 

3    Bereken (met de rekenmachine)

 

a    (2,2. 1015 )x(3,7.108)

 

b    (1,9.1014) x (7,25.10-12)

 

c    2,28 . 106 x 4,15 . 10 4 x 1,7 . 10-3

 

d    6,78364 . 10-17 x 1,05467 . 105 : (1,987 . 10-7)

 

 


II.17�        De exponentiële funktie

 

Afbeelding 4 grafiek van f(x) = 2x

In §1   zijn de rekenregels voor exponenten be­handeld

Nu kunnen we de exponentiële funktie gaan be­studeren.

Als voor­beeld nemen we de exponentiële funktie met grond­tal 2.

 

 

f(x) = 2 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.x

 

f(0) = 1

 

f(1) = 2

f(-1) = 0,5

f(2) = 4

f(-2) = 0,25

f(3) = 8

f(-3) = 0,125

f(4) = 16

f(-4) = 0,0625

f(5) = 32

f(-5) = 0,03125

 

Df = Å

alle reële getallen kunnen dienen als input voor de funktie.

Voor de output y (y = f(x)) geldt steeds:

y > 0

De funktie f is dus altijd positief; er zijn dus geen nulpun­ten en het bereik is de verzameling van positieve reële getal­len:

Bf = Å+.

 

Indien we voor x een steeds groter nega­tief ge­tal invullen in de funktie dan komt de waarde van y steeds dichter bij y = 0 te liggen. De waarde y = 0 wordt echter nooit bereikt. We kon­klu­deren dat de lijn

y=0 (dat is de x-as)

een horizontale asymptoot is van de funktie (voor zeer grote negatieve waar­den van x).

 

 

II.19�        VRAGEN

 

1a   Teken de grafiek van

 

f(x) = 2Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.-xFout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

 

op het interval Df = [-5,5]

 

b    geef de vergelijking van de asymptoot van f

 

c    hoe kunnen we de grafiek van f verkrijgen uit de grafiek van

y = 2x

 

2    Lees onderstaande beweringen goed door:

 

I De funktie f(x) = -2x is altijd ne­gatief

 

II De asymptoot van de funktie f(x) = -2x is de lijn y = 0 (de x-as)

 

abeide beweringen zijn juist

b    alleen bewering I is juist

calleen bewering II is juist

d    beide beweringen zijn onjuist

    

3    Lees onderstaande beweringen goed door:

 

I De funktie f(x) = 2x heeft als eigen­schap dat f(p+q)=f(­p).f(q) voor ieder getal p, q Î Å.

 

II De funktie f(x) = 2x heeft geen nul­pun­ten

 

abeide beweringen zijn juist

b    alleen bewering I is juist

calleen bewering II is juist

d    beide beweringen zijn onjuist

 

II.21�        De exponentiële funktie bij verschillende waar­den van het gron­dtal.

 

In de vorige paragraaf hebben we de grafiek van de funktie

y = 2x

bestudeerd. We gaan nu onderzoeken wat de gra­fiek wordt van de exponentiële funktie

 

                   

55

voor verschillende waarden van het grondtal g.

Opdracht: neem bijvoorbeeld g = -2 en ga na wat er gebeurt als we een negatief grondtal kiezen.

 

Eerste afspraak is dus dat we alleen werken met positieve gr­ond­tal­len.

 

Opdracht : neem ook g = 0 . Ga na wat de funk­tie f dan is

 

Opdracht : neem ook g = 1 . Ga na wat de funk­tie f dan is

 

We maken dus de afspraak:

 

g > 0 en g ¹ 1

 

Afbeelding 5 f(x)=2x  h(x)=3x

Immers voor negatieve waarden van g is de funk­tie negatief of positief al naar gelang de in­putwaarde x even of oneven is, en voor g = 0 en g = 1 krijgen we als grafiek de horizontale lijnen y = 0 respectievelijk y = 1.

 

We gaan nu eerst bekijken :

g > 1

Voor g =2 is de grafiek al getekend in de vori­ge paragraaf.

In bovenstaande figuur zijn getekend de grafie­ken van

f(x) = 2x

en h(x) = 3x

 

tabel f(x)=2x

 

x        y

 

-3       1/8

-2       1/4

-1       1/2

0        1

1        2

2        4

3        8

XIX

tabel g = 3x

 

x        y

 

-3       1/27

-2       1/9

-1       1/3

0        1

1        3

2        9

3        27

XX

 

 

 

Voor beide functies geldt :

Domein = Å

funktie overal stijgend

be­reik is po­si­tieve reële ge­tal­len Å+

x-as (y=0) asymp­toot voor grote ne­ga­tieve ge­tal­len x

funktie gaat door punt (0,1)

 

Deze eigenschappen gelden voor alle grondtallen g > 1

We zien ook dat:

 

3x > 2x indien x > 0

3x < 2x indien x < 0

3x = 2x = 1 indien x=0

 

Voor grondtal­len g met 0 < g < 1

gelden enigszins andere eigenschap­pen. In on­der­staande afbeel­ding is als voorbeeld gete­kend de grafieken van de funkties

f(x) = (½)x   en h(x) = (_)x

 

Voor beide functies geldt

Domein = Å

funktie overal da­lend

bereik is po­si­tieve reële ge­tallen

x-as (y=0) asymp­toot voor grote posi­tieve ge­tal­len x

funktie gaat door punt (0,1)

Afbeelding 6 f(x)=(½)x  h(x)=(_)x

 

Deze eigen­schap­pen gelden voor alle grond­tal­len 0 < g < 1

We zien ook dat

 

(1/3)x < (1/2)x indien x > 0

(1/3)x > (1/2)x indien x < 0

3x = 2x = 1 indien x=0

Tabel f

 

x        y

 

-3       8

-2       4

-1       2

0        1

1        1/2

2        1/4

3        1/8

XXI

tabel h

 

x        y

 

-3       27

-2       9

-1       3

0        1

1        1/3

2        1/9

3        1/27

XXII

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Indien we ook de funk­tie

f(x) = g-x

gebrui­ken kun­nen we vol­staan met de af­spraak dat we uit­slui­tend werken met grond­tal­len g > 1.

 

Voor bijvoorbeeld de funktie

 

f(x) = (1/2)x kun­nen we na­me­lijk ook schrijven

 

f(x) = (1/2)x=1x/2x=1/2x=2-x

 

Op deze wijze kun­nen alle funkties waarin grond­tal­len g met 0<g<1 voorkomen her­schreven worden in funk­ties met een grond­tal groter dan 1 maar dan met een nega­tieve exponent.

 

II.23�        Exponentiële vergelijkingen

 

Uit de grafiek van de funktie

 

f(x) = gx

 

volgt de volgende regel:

 

ga = gb    Û      a=b

 

(ga dit na).Deze regel hebben we nodig als we een exponentiële vergelij­king oplossen zoals:

2x = 8.

Oplossing:

2x = 8 = 23   dus x = 3.

 

Exponentiële funkties komen in de praktijk veel voor.

In de volgende paragraaf geven we drie voorbeel­den:

-groei van een bacteriecultuur

-afname van radioactiviteit

-kapitaalgroei

 

 

N.B.:Ook voor exponentiële vergelijkingen van grootheden waar­in eenheden voorkomen geldt dat de eenheden links en rechts van het = teken ge­lijk moeten zijn. Een exponent heeft geen een­heid; in een uitdrukking zoals

y = 2t waarin t de tijd voorstelt is dus een schaling verwerkt ­zodanig dat de eenheid van tijd wegvalt. Indien bijvoorbeeld de tijd in uren gegeven wordt, is gedeeld door de eenheid uur zodat alleen een getal zonder eenheid over blijft.

 

II.25�        Toepassingen

 

Voorbeeld 3

In een bepaald voedingsmiddel zitten bacteriën. Onder gunstige omstandigheden blijkt het aantal bacteriën zich ieder half uur te ver­dub­belen. Stel dat er op tijdstip t = 0 1000 bacteriën aanwezig zijn.

Geef het funktievoorschrift voor het aantal bac­teriën N als funktie van de tijd, en bepaal de groeifaktor.

 

Oplossing

ga na:

 

t        N

[halve uren]aantal bacteriën

 

t=0      N=1000

t=1      N=2000

t=2      N=4000

t=3      N=8000

 

t willekeurig [halve uren]:        N(t) = 1000 . 2T

 

De groeifaktor [per halfuur] is dus 2:

t=0      N=1000

+1´2

t=1      N=2000

+1´2

t=2      N=4000

+1´2

t=3      N=8000

 

In het algemeen geldt voor het aantal N bij ex­ponentiële groei:

 

N(t) = N(0) . gt

 

Men spreekt in dit verband ook van N0 = N(0) als de beginhoe­veelheid en g als de groeifaktor. Bedenk dat de groeifaktor afhangt van de gekozen eenheid van tijd: verdubbeling per halfuur is verviervoudiging per uur, als we de eenheid van tijd uren nemen dan is dus de groeifaktor g = 4.

 

Voorbeeld 4

 

Een radioaktief preparaat bevat radioaktief Na­trium dat ver­valt tot Magnesium.

56

Het radioaktieve isotoop  57 heeft 11 protonen en 13 neutro­nen in de atoom­kern. Onder uit­zen­ding van een elek­tron en γ-straling ont­staat 58  bestaande uit 12 pro­tonen en 12 neu­tro­nen.

Het aantal aanwezige natriumatomen is een expo­nentiële funktie van de tijd. Het aantal aanwe­zige atomen van het Natriumiso­toop neemt af; we hebben dus een dalende exponentiële funktie. Het grondtal g is dus kleiner dan een.

Na zekere tijd (genaamd de halfwaardetijd) is nog maar de helft over van de oorspronkelijk aanwezige hoeveelheid van het Natri­umisotoop.

 

Voor de halfwaardetijd gebruiken we meestal τ (tau = de griek­se let­ter t)

In dit voorbeeld geldt:

τ = 14,8 uur

Het funktie voorschrift van het aanwezige aantal Natriumatomen luidt:

 

N(t) =N(0).2-t/14,8

Opdracht: Ga na met behulp van dit funktievoor­schrift dat na een tijd t = 14,8 inderdaad de helft van de in het begin aanwezige hoe­veel­heid Na­trium­atomen over is.

Ga ook na hoeveel er nog over is na een tijd die twee maal de halveringstijd is:

t = 29,6 uur

Ga ook na dat we kunnen spreken van een exponen­tiële funktie met groei­fak­tor 0,5 per een­heid van tijd = 14,8 uur.

Wat is de asymptoot van deze funktie? geef een verklaring.

 

Voorbeeld 5

 

Een bank rekent rente van 8% per jaar

Stel je zet een startkapitaal K0 van ¦1000,- op de bank

Na een jaar heb je dan :

K1 = 0,08.1000 + 1000 = (0,08+1).1000 = 1,08.1000 = ¦1080,-

Na 2 jaar heb je

K2 = 0,08.1080 + 1080 = (0,08+1).1080 = 1,08.1080 = 1,08.1,08.1000 = 1,082 . 1000 = ¦ 1166,40

Na 3 jaar:

K3 = 1,083 . 1000 = ¦ 1259,71

Na n jaar , n Î N

 

Kn = 1,08n . 1000

 

Beginhoeveelheid K0 = 1000.

Groeifaktor g = 1,08 [per jaar]

Na tien jaar is het ka­pi­taal van 1000 gul­den al meer dan ver­dub­beld, na 15 jaar al meer dan ver­drievoudigd.Na 30 jaar is het bedrag van 1000 gulden meer dan vertien­vou­digd :

K30 = ¦ 10626,57

 

De banken hanteren dan ook bepalingen die het onmogelijk maken om geld gedurende zeer lange tijd vast te zetten.

Algemeen:

 p% rente betekent grondtal 59

zie voorbeeld 1

Opdracht: Bereken de groeifaktor per dag, per week en per maand voor dit voorbeeld.

Afbeelding 7 stroomsnelheid = exponentieel dalend

 bedenk dat bijvoorbeeld voor g per maand geldt: g12 = 1,08

 

Voorbeeld 6

 

Twee open vaten staan met el­kaar in verbin­ding via een open buis die afge­sloten wordt met een kraan. Wordt de kraan open ge­draaid dan stroomt het wa­ter eerst snel naar het andere vat, ge­leide­lijk lang­za­me­r om­dat het druk­ver­schil tus­sen de vaten kleiner wordt.

Meet men de stroomsnelheid van het water bij de kraan, dan is dit bij  een ex­ponen­tieel dalen­de funk­tie van de tijd.(vergelijk voorbeeld 7)

 

Voorbeeld 7

 

Een schakelaar sluit een RC-kring (Weer­stand Conden­sator). De stroomsterkte I in Ampère is een exponen­tieel dalende funktie van de tijd.

Hiervoor geldt de for­mule

                 

60

waarbij R en C de waarden van de kon­densator en de weerstand voorstellen. In dit kader spreekt men van de RC-tijd.

 

Afbeelding 8 RC tijd

 

 

Exponentiële funk­ties komen in de prak­tijk zeer veel voor. Een be­langrijk ken­merk van een expo­nentiële funk­tie is het vol­gen­de: bij de expo­nentiële funktie is de toename evenre­dig met de reeds aan­wezige hoe­veelheid. Dit geldt ook in­dien we een af­name ( = ne­gatieve toe­name) heb­ben.

Ga dit prin­cipe na voor de voor­beel­den die ge­ge­ven zijn in dit hoofd­stuk van exponentiële funk­ties.

 

 

 


 

II.27�        SAMENVATTING

 

 

                  

61

 

                  

62

                   

63

                   

64

                    

65

                

66

                   

67

                   

68

gelden voor:

a > 0 , b > 0 , a Î Å+ , b Î Å+ , p Î Å , q Î Å

 

-Öx =2Öx = x½  3Öx = x_      4Öx = x¼

 

-    y = Öx Û y2 = x en y ³ 0

y = 3Öx Û y3  = x

y = 4Öx Û y4 = x en y ³ 0

y = 5Öx Û y5  = x

y = 6Öx Û y6 = x en y ³ 0      enzovoort

 

-wetenschappelijke getalnotatie

Iedere getal x Î Å is te schrijven als

x = a × 10p  waarbij a Π Å zodanig dat

        1 £ a < 10  en p Î Í

dus bijvoorbeeld          345,67=3,4567 . 102

              0,023 = 2,3 . 10-2

 

-De exponentiële funktie f(x) = 2x heeft domein Df  = Å

Bereik Bf  = Å+ is overal stijgend en heeft als asymptoot de x-as (voor negatieve grote waarden x)

 

-De exponentiële funktie f(x) = 2-x (is ook f(x)=½x )heeft do­mein Df  = Å ,Bereik Bf = Å+ , is overal dalend en heeft als asymp­toot de x-as (voor positieve grote waarden x)

 

-    gx = gA  Û x = A

     dus bijvoorbeeld 3x = 34  Û x = 4

 

-    exponenten bevatten geen eenheden

 


II.29�        OPGAVEN

 

1Karel zet ¦ 5000,- op de bank tegen een rente van 7%.

a    Bereken hoeveel geld Karel heeft na 1 jaar, 2 jaar, 3 jaar , 5 jaar 10 jaar en 20 jaar

b    Na een half jaar haalt Karel zijn geld van de bank. Hoe­veel rente krijgt hij over dit halve jaar?

c    Wat is de rente per dag als de rente per jaar 7% is?

 

2    Een bakteriesoort heeft als eigenschap dat de populatie ieder half uur verdubbelt. In een salade bevinden zich om 12 uur 's middags 100 bacteriën.

a    Geef een formule voor het aantal aanwezige bacteriën als funktie van de tijd (in halve uren).

b    Hoeveel bacteriën waren er aanwezig om 3 uur 's middags?

c    Hoeveel bacteriën waren er aanwezig om 6 uur 's avonds ?

d    De keuringsdienst van waren keurt de salade af als er zich meer dan  50000 bacteriën in de salade be­vin­den. Om 7 uur kontroleert men de salade. Wordt deze afgekeurd voor konsump­tie?

e    Ga ook na wanneer er zich één bakterie in de salade heeft bevonden.

 

3    Teken de grafiek van de funktie

     f(x) = 4.3x

op het interval [-3,3]

Teken in dezelfde figuur ook de grafiek van de funktie

g(x) = 3x

 

4    Teken de grafiek van de funktie

     f(x) = 3.2-x

op het interval [-3,3]

Teken in dezelfde figuur ook de grafiek van de funktie

g(x) = 2-x

 

5    De halveringstijd van 14C koolstof 14 is 5730 jaar

Men stelt vast dat een gesteente nog maar 12,5% van de oor­spronkelijk aanwezige hoeveelheid 14C bevat. Hoe oud is dit gesteente?

De maximale ouderdom die met de 14C methode be­paald kan worden  is 50000 jaar. Hoeveel van de oorspronkelijk aanwezige hoe­veelheid 14C is dan nog aanwezig?

Geef een funktievoorschrift voor de aanwezige hoeveelheid koolstof 14 als funktie van de tijd; noem hierin de beginhoe­veelheid N0.

 

6    Een Zeppelin bevat 5000 m3 draaggas. Hiervan lekt 1% per week weg.

 

Geef het funktievoorschrift van de aanwezige hoeveelheid draaggas als funktie van de tijd (per week)

 

De Zeppelin kan niet meer vliegen als er nog maar 4000 m3 draaggas aanwezig is. Bepaal (met de K-toets van de rekenma­chine) na hoeveel weken de zeppelin niet meer kan vliegen.

nb in het volgende hoofdstuk zullen we laten zien hoe je het antwoord exact kunt bepalen met behulp van logaritmes.

 

7    Teken de grafiek van de volgende functies. Geef steeds :

het Domein    het Bereik 

eventuele snijpun­ten met de x of y-as               eventuele asymp­toten.

 

f(x) = 2x -3

g(x) = 2-x-5

h(x) = 3-x + 1

j(x) = 10(x+10)

k(x) = -2x

l(x) = -2-x

m(x) = -3-(x+4)

 

8    Schrijf de exponentiële functies zo dat het grondtal > 1

 

f(x) = (¼)x

g(x) = (_)x

h(x) = (_)x

j(x) = 0,3x

k(x) = 69

 

9    Welke bewering is juist?

I    Als x < 0 dan is 3x < 4x

II   Als x > 0 dan is 3x > 4x

aI. en II. zijn beide juist

bAlleen I. is juist

cAlleen II. is juist

dI. en II. zijn beide onjuist

 

 

10   Los op:

 

2x = 16

3x = 27

4x = 64

5x = 25

 

11   Een geld bedrag van ¦ 10000,- wordt ge­leend te­gen 5% ren­te.

Het geleende bedrag moet inklusief ren­te in een maal te­rug betaald worden.

 

a    Hoeveel moet er te­rugbetaald worden na één jaar?

b    Hoeveel moet er te­rugbetaald worden na vijf jaar?

c    Hoeveel moet er te­rugbetaald worden na n jaar, n ÎÁ?

 

12   Radioaktief isotoop A vervalt in ele­ment B met een halfwaarde tijd van 10 jaar. Er is een be­gin­hoeveelheid A0 aan­wezig :

A0 = 0,1 kg

 

Schrijf een funktievoorschrift op voor de massa van A als funktie van de tijd t

 

Maak een tabel van A(t) voor t Î {10, 20, ... , 100 }

 

Teken een grafiek van A(t) . zet eenheden langs de assen.

 

13   Een bacteriecultuur groeit exponentieel. Op t = 0 zijn er N=10000 bacteriën aanwezig. Op t=10 [uur] zijn er N=100 000 bacteriën aanwezig.

Geef het funktievoorschrift N(t)

 

14   Lees onderstaande bewe­ringen goed door:

 

     I70 II                          71    

 

aI. en II. zijn beide juist

bAlleen I. is juist

cAlleen II. is juist

dI. en II. zijn beide onjuist

15   Lees onderstaande bewe­ringen goed door:

    

     I         72

     II        73

 

aI. en II. zijn beide juist

bAlleen I. is juist

cAlleen II. is juist

dI. en II. zijn beide onjuist

 

Afbeelding 9 bepaal het funktie­voorschrift...

16bepaal het funktie­voorschrift:


 

10 bepaal het funktie­voorschrift.