1)    Lineaire functies

 

a)      De konstante functie

Afbeelding 5 De functie y = 3

 

De algemene vergelijking van de konstante func­tie is:

f(x) = c

Hierin is de parameter c konstant,

c Î Å

Kiezen we  bijvoorbeeld  c = 3 , dan krijgen we de functie

y=3

Merk op dat x niet voorkomt in het functie voor­schrift; voor alle x Î Å geldt: f(x) = 3 .

De grafiek van de functie x ® 3 is een rechte lijn evenwijdig aan de x-as .


c)       De vertikale lijn

 

Afbeelding 6 De lijn x = 2

De formule voor een vertikale lijn (een lijn even­wijdig aan de y-as) luidt

x = c

Hierin is de parameter c konstant,

c Î Å

Kiezen we  bijvoorbeeld  c = 2 , dan krijgen we de formule

x = 2

Dit is geen functie! De grafiek van de lijn x=2 is  getekend in onderstaande afbeelding

 


e)       Eerste graads funk­ties

 

De algemene vergelij­king van een eerste graads functie is:

f(x) = a×x + b

Hierin zijn a en b de parameters van de func­tie;

a Î Å , b Î Å , a ¹ 0.

(indien a = 0 hebben we de konstante functie).

De hoogste macht van x in het funktievoor­schrift van een eer­stegraads functie is 1 (x1 = x).

Kiezen we bijvoorbeeld a=2 en b=-3

dan ontstaat de eerste graads functie

f(x) = 2x - 3

In plaats van eerste graads funkties noemt men deze ook : lineaire funkties. De konstan­te a heet de richtingskoëffi­cient, afgekort rico of r.c.

 

i)          richtingskoëfficient en differenties

Afbeelding 7 de rechte lijn y=ax+b  met richtingsko­ffi­cient a=Δy¸Δx

Laten ( x1 , y1 ) en ( x2 , y2 ) twee verschil­lende punten zijn op de grafiek van een eer­ste graads functie

y = a×x + b

Invullen in het funktievoorschrift levert:

3

y1= a×x1 + b en y2 = a×x2 + b.

Trekken we de eerste vergelijking af van de tweede, dan krij­gen we:

 

4

In de laatste verge­lijking komt b niet meer voor, zodat we de richtingskoëfficient kunnen bere­kenen met

5

Voor de richtingsko­­­­­fficient kunnen we nu schrijven:

 

Men noemt

     de differentie van y

en   de differen­tie van x.

 Δ (spreek uit Delta) is de griek­se hoofdletter D van differen­tie(=ver­schil).

 

Nemen we 

     x2 > x1 ,

dus Δx > 0

dan noemen we de functie stij­gend als geldt:

     Δy > 0

en dus r.c. a > 0.

De functie heet dalend indien geldt:

     Δy < 0

en dus ook r.c. a < 0.

 

Merk op dat Δx de toename in de x-richting en Δy de toename in de y-richting voorstelt.

Daarom is

    

een maat voor de steil­heid van een line­aire functie.

 

iii)        Snijpunt y-as

9

Het snijpunt met de y-as van een li­ne­aire func­tie vinden we uit:

 

 

 

Dit levert het punt     (0,b).

Afbeelding 8 de rechte lijn y=2x-3

 

 

v)         Voorbeeld lineaire func­tie

Voorbeeld 1

 

Voor de functie

     y = 2x - 3

is in voorafgaande figuur de grafiek getekend. Het snijpunt met de y-as is (0,-3) en de rich­tingsko­fficient is r.c. = 2.

Indien Δx=1 dan is dus Δy=2 ; één stap naar rechts, twee stappen omhoog.Het nulpunt wordt gegeven door x=1,5.

 

vii)       Nulpunt

10

 

Het nulpunt van een lineaire functie kun­nen we berekenen uit:

In het voorbeeld y=2x-3 is het nulpunt (1½,0).

 

g)      Evenredig

In het geval dat geldt:

     y = a.x

spreken we ook over:

y is evenredig met x, genoteerd als:

     y µ x

(men treft ook nog de oude notatie aan:)

     y ~ x

Meetkundig stelt dit een rechte lijn door de oorsprong voor. Kenmer­kend is : als x twee­maal zo groot wordt, dan wordt y twee maal zo groot, als x drie­maal zo groot wordt, dan wordt y drie maal zo groot, enzovoort.

 

i)       de richtingskoëffi­cient als parameter

 

Tenslotte merken we nog op dat voor een hori­zon­tale lijn ( constan­te functie) we kunnen stellen 

     .

Nemen we bijvoor­beeld de lijn

     y = 3

(met als grafiek een horizontale lijn)

en kiezen we twee wil­lekeurige punten , zo­als de punten (21 , 3) en (26 , 3)

dan is

     .

De kon­stante functie noemt men ook wel nulde graads­funktie, omdat x niet voorkomt in het funktie­voorschrift.

(of­tewel de hoogste­macht van x is x0=1;zie hoofdstuk V)

Voor een vertikale lijn is de richtingskoëffi­cient niet gede­finieerd (bestaat niet, wordt oneindig groot).

Nemen we bijvoorbeeld de lijn x = 2 en kiezen we twee wille­keurige punten op deze lijn,

zoals (2 , 21) en (2 , 26) dan is

Afbeelding 9 De lijnen y=ax voor verschillende waarden van de rich­tingskoëfficient a.

Å 

want delen door 0 mag niet.

 

In volgende figuur is voor verschillende waar­den van de parame­ter a een aantal lijnen  y = a × x  gete­kend. Men noemt dit : het bundel­nomo­gram van de functie y=ax voor a=-4, a=-1,a=-½, a=0, a=½, a=1, a=4, a=12.

Afbeelding 10 y=2x+3 en y=x-1

 

k)      Voorbeelden

 

Voorbeeld 2

 

Gegeven de funkties:

 f(x) = 2x - 3  en g(x) = x - 1

Voor beide funkties zijn een aantal zaken te bepa­len:

 

- de r.c.

r.c. f(x) = 2               r.c. g(x) = 1

 

- Het snijpunt met de x-as : y=0

f(x) = 2x + 3 = 0           g(x) = x - 1 = 0

2x = -3                     x = 1

x = -1.5

Dus (-1.5  , 0)             Dus (1 , 0)

 

- Het snijpunt met de y-as : x=0

f(x) = 2x + 3               g(x) = x - 1

f(0) = 2×0 + 3               g(0) = 0 - 1

f(0) = 3                    g(0) = -1

Dus (0 , 3)                 Dus (0 , -1)

 

- Het snijpunt van de funkties f en g :

In het snijpunt van f en g geldt f(x) =  g(x).

2x + 3 = x - 1

2x - x = -1 - 3

x = -4

Invullen :

f(4) = 2×(-4) + 3 = -8 + 3 = -5

Dus snijpunt is (-4 , -5)

 

Voorbeeld 3

 

Stel een vergelijking op van de lijn l door de punten A(3 , 7) en B(8 , 2)

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoord:

Stel l : y = a×x + b

A(3 , 7) en B(8 , 2) dus Δx = 8 - 3 = 5 en 

                    Δy = 2 - 7 = -5

    

14

     

l : y = -1×x + b

l : y = -x + b

A(3 , 7) op l   }     Þ   7 = -1×3 + b      Û   b = 10

l : y = -x + 10

De lijn l is de gra­fiek van de functie

 

Voorbeeld 4

 

Gegeven de lijn l : 3x-2y=3

De lijn m is evenwijdig met l .

Bovendien gaat  m door punt A(2 , 4)

Stel een vergelijking van m op.

 

Uitwerking

l : 3x - 2y = 3  Û  -2y = -3x + 3 

Û  y = 1.5x - 1.5 dus rc= 1.5

m // l dus

m : y = 1.5×x + b

A(2 , 4) op m      }    Þ   4 = 1.5×2 + b 

Û  b = 1 dus

m : y = 1.5´ + 1

 

De lijn m is de grafiek van de functie

16


m)     VRAGEN

 

(1)  Stel een vergelijking op van de lijn

a    l door (2,  4) en B(6 , 8)

b          m door C(-2 , 3) en D(3 , -2)

 

(2)  s is een lineaire functie van t

Voor t = 2 is s = 8 en voor t = 4 is s = 10

a    Schrijf s als functie van t

b    Bereken s als t = 7

c    Bereken t als s = 20

d    Teken een grafiek van s als functie van t

 

(3)  Gegeven zijn de lijnen

k : 2x - 3y = 6    l : ½x + y = 3          m : 2y = 7    n : 3 x = 8

 

a    Teken de gegeven lijnen in één figuur

b    Welke van de gegeven lijnen heeft geen rc?

cGeef van de overige lijnen de rc

 

(4)  Gegeven zijn de lijnen :

k : x - 2y = 8   m : y = -½x   p : 2x = y + 3

l : 2x - y = 8    n : y = ½x   q : x = 2y + 3

 

Welke van deze lijnen zijn onderling evenwijdig?

 

(5)  Gegeven de lijnen

l : y = 3x + 1m : y = -_x - 2

aBereken het snijpunt van de lijnen l en m

bTeken in één figuur de grafieken van de lijnen l en m

 

(6)Een auto rijdt met konstante snelheid over een snelweg.

In 2 minuten legt de auto 3,6 km af.

 

aHoeveel km legt de auto af in 5 minuten?

bVul onderstaande tabel in:

 

t(min)

0

2

5

10

12

15

20

s(km)

0

3,6

 

 

 

 

 

 

cMaak (op ruitjespapier) de grafiek van s [km] als functie van t [min].

 

dDe afgelegde weg s als functie van de tijd t is uit te druk­ken in de for­mule

   Wat stelt 1.8 voor ?

 

(7)¦(x)  = x + 2 en g(x) = - 2x +4½

Het domein van beide functies is het inter­val   [ -2, 4 ]

 

a.Bepaal de richtingscoëfficiënten van de grafieken van beide functies

b.Teken de grafieken van de twee gegeven functies in één assenstelsel.

c.Bereken het snijpunt van de grafieken van de twee gegeven functies.

d.Bereken van beide grafieken het snij­punt met de x-as.

e.Voor welke x geldt :

  ¦(x)< g(x) ?

 

(8)Hieronder zie je een met water gevulde bak. Onder aan de bak zit een kraan. Na een aantal minuten zet men de kraan open en stroomt de bak leeg. Je kunt dit zien in onderstaande grafiek

Afbeelding 11 De water­hoogte als functie van de tijd

 

Uit de grafiek kun je aflezen hoeveel water op een bepaald tijdstip nog in de bak zit.

 

Geef met behulp van de pijlnotatie het funk­tie­voor­schrift I van de hoeveelheid water in de bak als functie van de tijd.

Onderscheid 3 gevallen :

18