I. Goniometrie

 

II.1� Booglengte, cirkelboog

Afbeelding 1 Cirkel rolt over lijn

Een cirkel met middelpunt M en straal R wordt gerold over een rechte lijn l. Dit is te verge­lij­ken met een wiel dat over een vlak­ke weg rolt.

Eerst raakt de cirkel de lijn l in punt A

Als de cirkel over een hoek α gedraaid is raakt het punt C van de cirkel de rechte lijn in het punt B.

 

De lengte van het lijnstuk AB is dan gelijk aan de lengte van de cirkelboog AC.

 

De lengte van de cirkelboog AC hangt af van :

- de draaihoek α

- de straal R

 

Immers, als α groter wordt dan wordt de boog­leng­te AC groter. Als de straal R groter wordt, dan wordt de lengte van de boog AC ook groter.

 

We stellen nu de vraag hoe de lengte van de boog AC afhangt van de draaihoek α en de straal R.

 

Daartoe maken we een tabel;

 

       R

       α

      AC

       0

       0

       0

       0

       α

       0

       R

       0

       0

       R

      360°

      ×R

=omtrek cirkel

       R

      180°

      π×R

=halve omtrek

       R

      90°

      ½π×R

=kwart omtrek

 

 

1

Voor een willekeu­rige hoek α en straal R geldt:

 

(kontroleer deze formule met de tabel)

 

Tot nu toe hebben we hoeken uitgedrukt in

gra­den: °

Een volledige omwenteling van het wiel komt over­een met een draaihoek van 360°. Dit getal 360 is in zekere zin willekeurig ge­kozen en dateert van duizenden jaren geleden. Er is ook nog een andere maat om hoeken uit te drukken: de radiaal. In de wis­kunde werken we bij voorkeur met radialen in plaats van gra­den. De radiaal is zo gekozen dat als we hoek α in radialen uit­drukken in plaats van graden voor de booglengte AC geldt:

booglengte AC = α×R

ook:  s = α×R.

Indien we de twee formules voor de booglengte vergelijken dan kunnen we konkluderen:

        

2

Door nu π = 3,1415927...

in te vullen gaat deze for­mule over in:

1 radiaal = 57,29578... °

 

Misschien ben je gewend hoe­ken uit te drukken in graden (90°= rechte hoek, enzovoort). Het ge­bruik van radialen biedt echter bepaalde voor­delen zodat we vanaf nu alleen nog maar werken met radialen.

Afbeelding 2 Indien de leng­te van de boog ge­lijk is aan de lengte van de straal van de cir­kel (=R) dan is de middelpunts­hoek precies 1 radi­aal.

De radiaal is een betere maat voor hoekgrootte dan de graad omdat de lengte van de cirkel­boog wordt vergeleken met de lengte van de straal. In een cir­kel met straal R zouden we een touwtje kunnen leggen op een lijnstuk vanaf het middel­punt naar de cirkel, dit touwtje heeft dan leng­te R (straal van de cir­kel). Indien we ditzelfde touwtje nu langs de cirkelboog leggen, dan heeft de cirkelboog ook lengte R, de middelpuntshoek α is dan precies 1 radiaal.

 

Je kunt radialen omrekenen in graden (en omge­keerd) door te onthouden :

 

2π radialen = 360 °

 

Delen we links en rechts door 2π dan krijgen we

1 radiaal = 3= 57,29578... °

Delen we de eerste vergelijking links en rechts door 360 dan krij­gen we

4

Door nu π = 3,1415927...

in te vullen gaat deze formule over in:

 1°=0,0174532...(rad)

 

Indien we nogmaals een tabel maken van de boog­leng­te AC voor enkele waarden van de hoek α dan blijkt het voordeel van de nieuwe hoekmaat : de radiaal

 

 

       R

       α

      AC

       0

       0

       0

       0

       α

       0

       R

       0

       0

       R

     

      ×R

       R

       π

      π×R

       R

      ½π

      ½π×R

 

II.3� rekenmachine

 

Op de rekenmachine zit een toets :

deg

1

 

 mode

2

       of

 

waarmee je de rekenmachine kunt in­stellen op het rekenen in graden of in radialen. Dit heeft al­leen invloed op het rekenen met functies die gebruik maken van Hoekgrootte's, zoals

sin

3

 

tan

4

cos

5

   

 

          en hun inverse functies:

tan-1

6

cos-1

7

sin- 1

8

 

   

Om radialen om te reke­nen in graden, of omge­keerd graden om te rekenen in radialen moe­ten we ge­bruik maken van de betrekking

π

9

π (rad) = 180 °

en van de toets:    

   

Of de rekenmachine op graden of radialen staat ingesteld, maakt dan niets uit. Op de meest voor­ko­mende rekenma­chines is geen moge­lijkheid aan­wezig om graden en ra­dialen recht­streeks in el­kaar uit te druk­ken. Op veel rekenma­chines kun­nen we wel een bere­ke­ning in­voeren met de K-toets. In het display van de reken­ma­chine zien we of we in­ge­steld heb­ben op graden of radi­alen.

   rad

10radialen (radians)

   deg

11graden  (degrees)

 

II.4�a�          Voorbeeld 1: om­reke­nen in radia­len

 

Reken om in radialen:

α = 23°     α = 42°

π

12

¸

13

180

14

=

15

´

16

´

17

·        Rekenmachine:

     TOETS IN :    

K

0.0174532

18

 

In het display van de rekenma­chine verschijnt nu:

23

19

=

20

 

Nu kun­nen we in­toetsen:

K

0.4014257 

21

 

 

en krij­gen we als ant­woord:

 

zodat 23° » 0,40 (rad)

Vervolgens kunnen we iedere

gewenste waarde van α° intoet­sen,

=

22

waarna een druk op de toets

de ge­wens­te hoek in radialen geeft.

0.7330382

23

We toetsen nu

42

24

=

25

 

 

en krij­gen:

zodat 42° » 0,73 (rad)

 

II.4�c�          Voorbeeld 2 : omrekenen naar graden

 

Reken om in graden:

α = 1,5 rad      α = 5,7 rad

 

 

·        Rekenmachine

TOETS IN :

      

180

26

¸

27

π

28

=

29

´

30

´

31

K

57.29578

32

In het display van de rekenma­chine verschijnt nu:

 

Nu kun­nen we intoetsen:

=

33

1.5

34

K

85.943669

35

en krijgen we als antwoord:

zodat 1,5 (rad) » 85,9°

 

=

36

Vervolgens kunnen we iedere gewenste waarde van α (rad) in­toetsen, waarna een druk op de toets

de ge­wenste hoek in graden geeft.

K

326,58594

37

We toetsen nu

5.7

38

=

39

en krijgen:

zodat 5,7 rad » 326,6°

 

Sommige hoeken kunnen zon­der rekenmachine bere­kend worden, bijvoorbeeld:

90° = 5

60° = 6

45° = 7

30° = 8

 

Onthoud:

               180° = π (rad)

 

II.5� sinus, cosinus, tangens in een rechthoeki­ge drie­hoek.

 

In de Inleiding heb je geleerd:

in een rechthoekige driehoek geldt:

 

sin α = aanliggende zijde

        schuine zijde

 

cos α = overstaande zijde

        schuine zijde

 

tan α = aanliggende zijde

        overstaande zijde

 

Afbeelding 3 rechthoekige driehoek

 

Deze afspraak blijft gelden, maar we gaan in de volgende paragraaf de sinus, cosinus en tangens op­nieuw invoeren. We willen een grafiek maken van sin α, cos α en tan α als functie van α (rad).

 

II.7� eenheidscirkel

 

Afbeelding 4 de eenheidscirkel

 

In afbeelding 64 is een eenheids­cir­kel  getekend:

- een koördinatenstelsel met een

x-as en een y-as.

- een cirkel met straal = 1 en

met middel­punt (0 , 0) ()

- een punt P op de cirkel

 

De koördinaten van punt P zijn :

(xP , yP)

De punt P wordt verplaatst over de eenheidscir­kel.

Het punt P begint in het punt met koördinaten (1,0) , dat is xP = 1 en yP = 0

Het punt P draait linksom over de eenheidscir­kel. De hoek α is :

 de hoek tussen het lijnstuk van (0,0) naar (1,0) en het lijnstuk OP

steeds geldt :

-de koördinaten van punt P zijn (xP , yP)

-de lengte van het lijnstuk OP = straal van de cirkel

-de straal van de cirkel = 1

Afbeelding 5 de eenheidscirkel

-de pun­ten O(0­,0) (x­P,0)P(x,yP)

vor­men een rech­thoe­kige drie­hoek

-de rech­te hoek is bij het punt (x­P,0)

-de over­staa­nde zijde van hoek α is het lijn­stuk

van het punt (­0­,­xP) naar P(xP,yP)

-de lengte van de overstaan­de zijde is yP

-de aanliggende zijde van hoek α is het lijn­stuk van het punt O(0,0) naar het punt (­0­,­xP)

-de lengte van de aanliggen­de zijde is xP

 

In de eenheidscirkel hebben we nu voor iedere hoek α een recht­hoekige driehoek gevormd met als schuine zijde het lijnstuk OP, en als aanliggen­de zijde het lijnstuk tussen het punt (0,0) en (xp,0) en als overstaande zij­de het lijnstuk van het punt  (xp , 0) naar het punt P

Omdat we in een eenheidscirkel werken, geldt dat de straal = lengte van lijnstuk OP = schui­ne zijde = 1.

Daarom geldt:

 

    sin α = yp

   

    cos α = xp

    9

 

Vanaf nu zullen we deze formules gebruiken als definitie van de functies :

f : α ® sin α

f : α ® cos α

f : α ® tan α

 

Hierbij is α de hoek, uitgedrukt in radialen.

We kunnen nu ook voor hoeken die groter zijn dan   radialen de sinus en cosinus berekenen, ja zelfs hoeken die groter zijn dan π radialen (180°), 2π radialen (360°) of willekeurig grote hoe­ken. Ander­zijds kunnen we ook spreken over negatieve waarden van de (draai-)hoek, dit stemt overeen met rechtsom draaien op de eenheidscir­kel. Ga na dat geldt:

P

(x,yP)

α

xP=cos α

yP=sin α

=tan α 

(1,0)

0

1

0

0

(0,1)

0

1

kan niet

(-1,0)

π

-1

0

0

(0,-1)

1½π

0

-1

kan niet

(1,0)

1

0

0

(0,1)

2½π

0

1

kan niet

(-1,0)

-1

0

0

(0,-1)

3½π

0

-1

kan niet

(1,0)

 

0

0

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

...

(1,0)

0

1

0

0

(0,-1)

-½π

0

-1

kan niet

(-1,0)

-1

0

0

(0,1)

-1½π

0

1

kan niet

 

 


 

Afbeelding 6 de eenheidscirkel, de middelpun­tshoek α ,het punt P (xP ,yP) en de projecties van P op de x-as en de y-as.

 


II.9� VRAGEN

 

1 Lees onderstaande beweringen goed door

     I een cirkel met straal R en mid­del­punts­hoek α (rad) heeft de cirkel­boog leng­te αR.

II Een hoek van α radialen betekent al­tijd:

0 £ α £

a I. en II. zijn beide juist

b Alleen I. is juist

c Alleen II. is juist

d I. en II. zijn beide onjuist

 

 

2    a    reken om in radialen:            

30°  45°  60°  17° -2,5°

b reken om in g­r­a­d­en:  ½π ¾π ¼π    ¼π 2 (rad)                       

 

7

3    Aan een katrol hangen 2 blok­jes. De straal van het wiel is 0,2 m . Men ver­plaatst het ene blok­je 2 meter omhoog, het andere blokje gaat dan twee meter omlaag. Bereken de draaings­hoek van het wiel.

 

4    Bereken met een reken­machine:

53° =            (rad)

1,29 rad =        °

112° =           (rad)

0,3 (rad) =       °

 

5    neem de tabel aan het begin van dit hoofdstuk over en maak daarin een extra kolom met daarin de hoek α uitgedrukt in radi­alen.

Konklusie?

 

1�   Bereken met een rekenmachine (op rad zetten)

 


sin 0,5

cos 0,5

tan 0,5

sin 0,25

cos 0,25

tan 0,25

sin 0

cos 0

tan 0

sin 0,1

cos 0,1

tan 0,1

sin 0,01

cos 0,01

tan 0,01

sin 1

cos

1

tan 1

sin π

cos π

tan π

sin 2π

cos 2π

tan 2π

sin 3π

cos 3π

tan 3π

sin 4π

cos 4π

tan 4π

sin 2

cos 2

tan 2

sin 3

cos 3

tan 3

sin -1

cos -1

tan -1

enzovoort


 

`Afbeelding 8 draaihoek α

II.11�        Draaihoek

 

Het punt P wordt over de een­heids­cirkel ver­plaatst. Het punt P be­gint in het punt (1,0) en draait links­om over de cir­kel. Als het punt P op­nieuw in het punt (1,0) aan­komt, geldt voor de draaihoek α:

α = 2π

Afbeelding 9 α > 2π

Draaien we nog verder rond dan wordt de draai­hoek groter dan 2π.

Als we begin­nen in punt (1,0) en we draaien rechts­om in plaats van links­om over de een­heids­cirkel , dan spre­ken we af dar de draai­hoek α dan ne­ga­tief wordt. Als P op­nieuw in het punt (1,0) aan­komt bij rechts­om draaien, dan geldt voor de draai­hoek α:

α = -2π

 

II.13�        De si­nus­func­tie

Op deze wijze kun­nen we een gra­fiek ma­ken met als on­af­han­ke­lijke va­ria­bele de draai­hoek α (rad) en af­han­ke­lijke va­ria­bele de sinus van α:

Afbeelding 10 f(x)=sin x , Df=[0,½π] , Bf=[0,1]

yP = sin α

 

Daartoe trekken we hori­zontaal een α-as waarop we de lengte van de cir­kel­boog α uitzet­ten. Ver­ti­kaal zetten we dan de waarde yP, = de leng­te van het lijnstuk van O(0,0) naar punt (0,yP) = sin α.

In onder­staande afbeel­ding is voor 0 £ α £ ½π

weerge­geven de grafiek van

13

Merk op dat geldt:

α = 0sin 0 = 0

α = ½πsin ½π = 1

 

 

 

II.15�        De cosinus­functie

Afbeelding 11 f(x)=cos x , Df=[0,½π], Bf=[0,1]

Op soort­gelijke wijze kunnen we een gra­fiek te­ke­nen met als onaf­hanke­lijke variabele de draai­hoek α (rad) en afhan­kelijke variabele de cosi­nus van α:

xP = cos α

 

In bovenstaan­de afbeelding is voor 0 £ α £ ½π

weergegeven de grafiek van

14

Merk op dat geldt:

α = 0 cos 0 = 1

α = ½π cos ½π = 0

 

 

II.17�        De tangens functie

Om de gra­fiek van de functie

f : α ® tan α

Afbeelding 12 tan α = lijnstuk (1,0) naar Q

te tekenen moeten we anders te werk gaan dan bij het tekenen van de grafieken van de functies si­nus en cosinus.We kunnen namelijk de waarde   

niet rechtstreeks aflezen uit de eenheidscirkel zoals bij de functies sinus en cosinus wel het geval was.

 

Met behulp van de vol­gende werk­wijze krijgen we bij iedere hoek α een lijnstuk met een lengte gelijk aan de tan­gens van α (afbeelding 74).

Vanuit het punt (1,0) wordt even­wijdig aan de y-as een raak­lijn ge­trokken aan de eenheids­cir­kel.

Verleng nu het lijnstuk OP tot we deze raaklijn snijden in het punt Q.

We hebben nu twee gelijk­vor­mige recht­hoekige drie­hoeken gemaakt:

-een drie­hoek ge­vormd door de punten O, (xP,0), P

-een driehoek gevormd door de punten O, (1,0), Q

Deze driehoeken zijn gelijkvor­mig want ze hebben hoek α ge­meen­schappelijk en ze hebben beide een rechte hoek.

Daarom geldt

zodat

tan α = leng­te van lijn­stuk van punt (1,0) naar Q = lengte van raaklijnstuk. (Het woord tangens be­tekent :rakend)

Nu kunnen we de gra­fiek van

f: α ® tan α

tekenen. Daartoe trek­ken we horizontaal een α-as waarop we de lengte van de cirkel­boog α uitzet­ten. Ver­ti­kaal zetten we dan de leng­te van het lijn­stuk van O(0,0) naar punt (0,yP), dat is precies de waarde van tan α.

In onderstaande af­beelding is voor 0 £ α £ ½π

weergegeven de grafiek van

f: α ® tan α

 

merk op dat geldt:

 

Afbeelding 13 f(α)=tan α Df=[0,½π> Bf=[0,¥>


α = 0tan 0 = 0

α = ½πtan ½π =

kan niet, tan ½π ÏÅ

 

Uit de de­fi­nitie van de tangens:

17

volgt dat deze func­tie voor sommige waar­den van α niet be­staat. Voor alle pun­ten P op de een­heids­cir­kel waar­voor geldt dat

xP = 0

bestaat de functie

18

niet.(delen door 0 mag niet).

Dat is het geval als geldt:


 

α =

α =

α =

α =

α = ....


en ook voor :

α =

α =

α =

α =

α =

...


 

Net zoals bij de hy­per­bool

f : x ® 1

        x

spreken we bij de func­tie

f : α ® tan α

van  asympto­ten van de tangensfunktie met ver­ge­lij­king:


 

 

α =

α =

α = 31

α = 32

α =

....


 

en ook voor :

α =

α =

α =

α =

α =

...


 

Dit zijn de verge­lij­kin­gen van ver­tikale lijnen waar­toe de gra­fiek van f : α ® tan α nadert voor waarden van α in de buurt van deze getalwaarden.

 

In de java-applet sin-cos-tan is  het mogelijk de definities van de sinus, cosinus en tangens functies te bekijken aan de hand van de draaiingshoek in de eenheidscirkel en de bijbehorende functiewaarde

java applet Sinus Cosinus Tangens
II.19�        VRAGEN

 

1�   Het punt P doorloopt de een­heidscirkel. De draai­ings­hoek is posi­tief, het beginpunt is (1,0)

a    Geef de koördinaten van P als het punt een af­stand 1 heeft af­gelegd

b    Geef ook de koor­di­na­ten als het punt P een af­stand 2/3π heeft af­ge­legd

c    Het punt Q door­loopt een cir­kel met straal 3. De draai­ingshoek is positief, het beginpunt is (3,0). Be­re­ken de koordi­na­ten van Q als het punt Q over een hoek 1,25π ra­di­alen ge­draaid is.

d    Geef ook de lengte van de cir­kel­boog uit vraag c

 

 

II.21�        Formules met si­nus, cosinus en tangens

 

 

Met behulp van de een­heidscir­kel is het mo­gelijk om een di­verse formules af te leiden voor de sinus, co­sinus en tan­gens functie.

 

Voorbeeld 1

Afbeelding 14 α in II

 

In bo­ven­staande af­beel­ding ligt het punt P in het tweede kwa­drant, zoals ge­woon­lijk geldt:

   sin α = yp

   cos α = xp

We spiegelen het punt P nu ten op­zichte van de y-as en krijgen zo het punt P'

De hoek tussen OP' en de posi­tieve x-as noemen we β.

Uit de teke­ning blijkt dat de twee gearceerde driehoeken kon­gruent zijn; de hoek tussen OP en de negatieve x-as is dus ook β

De hoeken α en β vormen samen een gestrekte hoek (π radialen = 180°)

Er geldt:

α + β = π (rad)

oftewel

β = π - α

De koordi­naten van het punt P' zijn:

P' (xp',yp')

zodat geldt voor de hoek β

xp' = cos β

yp' = sin β

Omdat we het punt P' ver­kregen heb­ben door het punt P te spiegelen ten op­zichte van de y-as geldt:

xp' = -xp

yp' = yp

We konkluderen nu

cos β = -cos α

sin β = sin α

cos (π - α) = - cos α

sin (π - α) = sin α

40

We hebben nu aange­toond dat geldt:

Afbeelding 15 α in III

 

Voorbeeld 2

 

In onderstaande af­beelding ligt het punt P in het derde kwa­drant, zoals gewoon­lijk geldt:

sin α = yp

cos α = xp

We spiegelen het punt P nu ten opzichte van de oor­sprong en krijgen zo het punt P'

De hoek tussen OP' en de posi­tieve x-as noemen we β.

De hoek tussen OP en OP' vormt een ge­strekte hoek (π ra­di­alen = 180°)

Er geldt:

α  = β + π

oftewel

β =  α - π

De koordinaten van het punt P' zijn:

P' (xp',yp')

zodat geldt voor de hoek β

xp' = cos β

yp' = sin β

cos (α - π) = - cos α

sin  (α - π) = - sin α

41

Omdat we het punt P' ver­kregen heb­ben door het punt P te spie­ge­len ten op­zichte van de oor­sprong O(0,0) geldt:

xp' = -xp

yp' = -yp

We kon­klu­de­ren nu

cos β = - cos α

sin β = - sin α

We heb­ben nu aan­ge­toond dat geldt:

 

Afbeelding 16 α in IV

Voor­beeld 3

 

In bo­ven­staan­de af­beel­ding ligt het punt P in het vier­de kwa­drant, zoals gewoon­lijk geldt:

   sin α = yp

   cos α = xp

We spiege­len het punt P nu ten op­zichte van de x-as en krij­gen zo het punt P'

De hoek tus­sen OP' en de po­si­tieve x-as noemen we β. Uit de te­ke­ning blijkt : de hoek tus­sen OP en de nega­tieve x-as is dus ook β. De hoeken α en β vor­men samen een hoek van 2π radi­alen = 360°

Er geldt:

α + β = 2π (rad)

oftewel

β = 2π - α

De koordinaten van het punt P' zijn:

cos (2π - α) = cos α

sin (2π - α) = -sin α

42

P' (xp',yp')

zodat geldt voor de hoek β

xp' = cos β

yp' = sin β

Omdat we het punt P' verkre­gen heb­ben door het punt P te spiege­len ten op­zichte van de x-as geldt:

xp' = xp

yp' = -yp

We kon­kluderen nu

Afbeelding 17 α , -α

cos β = cos α

sin β = -sin α

We hebben nu aan­ge­toond dat geldt:

 

Voorbeeld 4

 

In bovenstaan­de af­beel­ding ligt het punt P in het eer­ste kwa­drant, zo­als ge­woonlijk geldt:

sin α = yp

cos α = xp

We spiegelen het punt P nu ten opzichte van de x-as en krijgen zo het punt P'

De hoek tussen OP' en de posi­tieve x-as is dan ge­lijk aan -α.

De koordinaten van het punt P' zijn:

P' (xp',yp')

zodat geldt voor de hoek - α

cos (- α) = cos α

sin (- α) = -sin α

43

xp' = cos (- α)

yp' = sin (- α)

Omdat we het punt P' ver­kregen hebben door het punt P te spiege­len ten opzichte van de x-as geldt:

xp' = xp

yp' = -yp

We konkluderen nu

cos (- α) = cos α

sin (- α) = - sin α

We hebben nu aan­ge­toond dat geldt:

 

 

Voorbeeld 5

 

Gegeven het punt P (xp,yp) in het tweede kwadrant

Afbeelding 18 complementaire hoeken

zoals ge­woon­lijk geldt:

sin α = yp

cos α = xp

Vanuit het punt O trek­ken we een lijn lood­recht op de lijn OP; deze loodlijn snijdt de cirkel in punt Q .

De hoek tussen OQ en de posi­tieve x-as is dan gelijk aan β.

Omdat OQ ^ OP

geldt:

β +  ½π = α

β  = α - ½π

De twee driehoeken zijn kon­gruent; im­mers beide driehoe­ken hebben een rechte hoek = ½π , een hoek met grootte β  en een schuine zijde met lengte = 1

de koordinaten van het punt Q zijn:

Q (xQ , yQ )

zodat geldt voor de hoek β

xQ = cos β

yQ = sin β

We kunnen konkluderen dat

xQ = yp

yQ = -xp

 

Zodat geldt:

 

cos β = sin α

sin β = - cos α

 

cos (α - ½π) = sin α

sin  (α - ½π) = - cos α

 

 

cos (α - ½π) = sin α

sin (α - ½π) = -cos α

44


II.23�        De grafieken van de functies sinus, cosinus en tangens

 

In het voorafgaande hebben we een aantal voor­beel­den bespro­ken van formules die blijken te gelden voor de sinus en cosinus func­tie. Daarbij hebben we ge­bruik ge­maakt van de een­heids­cirkel. Het is niet nodig om deze formules uit het hoofd te leren; indien nodig kan beter een ta­bellen­boek geraad­pleegd wor­den. Voor de volle­digheid heb­ben we laten zien hoe derge­lijke formules verkregen kunnen worden. Op dit moment kunnen we deze formules toepassen op het verder uitwer­ken van de gra­fie­ken van de functies sinus, cosi­nus en tan­gens.

In de eerste paragraaf hebben we de grafiek van sinus, cosinus en tangens al gegeven voor hoeken α   Π [0,½π]

Uit de eerder gevonden formules kunnen we nu afleiden dat hiermee de grafiek van sinus, cosi­nus en tangens gevonden kan worden voor alle  α Î Å.

 

Bijvoorbeeld: uit cos x = -cos (π-x)

                  sin x = sin (π - X)

volgt : als we een x nemen in [0,½π] dan is π - x in [½π,π], de sinuswaarden zijn dan gelijk en de cosinuswaarden tegengesteld. Dan kunnen we ook de grafiek tekenen in [½π,π]. Evenzo kun­nen we de andere formules  gebruiken om op soort­gelijke wijze kon­klusies te trekken voor andere kwadran­ten.

II.24�a�        f(x)=sin x

 

In onder­staande afbeeldin­gen zijn getekend de gra­fie­ken van de func­ties

f(x) = sin x

met als domein:

Df=[0,][0,2­π][-4π,4π][-6π,6π][-8π,8π] enz.


 

 

Afbeelding 19 y=sin x D=[0,2π]

Afbeelding 20 f(x)=sin x   Df=[0,½π]


 

Afbeelding 23 f(x)=sin x Df=[-2π,2π]

Afbeelding 21 f(x)=sin x  Df= [-4π , 4π]


 

Afbeelding 22 f(x)=sin x  Df= [-6π , 6π]

Afbeelding 24 f(x)=sin x   Df= [-8π , 8π]


 

 

Afbeelding 25 f(x)=sin x   Df= [-16π , 16π]


 

II.24�c�        f(x)=cos x

 

Voor de grafiek van de cosinus geven we nu ook de grafiek voor verschillende waarden van het do­mein:

 

Afbeelding 26f(x)=cos x   Df = [0,½π]

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding 27 f(x)=cos x  Df = [0,2π]

Afbeelding 28 f(x)=cos x  Df = [-2π,2π]

De sinus en de cosinus­grafiek hebben precies de­zelfde vorm. Door de cosinus grafiek een half pi naar rechts te schui­ven ( of door de sinus gra­fiek een half pi naar links te schui­ven) vallen beide gra­fieken precies op el­kaar. In dit ver­band spreekt men ook over een faseverschil van een half pi.

Afbeelding 29 f(x)=cos x Df = [-4π,4π]

 

 

 

Afbeelding 30 f(x)=cos x   Df = [-6π,6π]

De grafieken van sinus en cosi­nus zijn beide 2π‑periodiek. In for­mule ge­schreven:


 

 

Afbeelding 32 f(x)=tan x Df=[-½π,½π]

Afbeelding 33 f(x)=tan x Df=[-½π,½π]

II.24�e�        f(x)=tan x

Afbeelding 31 f(x)=cos x   Df = [-16π,16π]


 

 

 

Afbeelding 34 f(x)=tan x Df=[-π,π]

Vervolgens geven we de grafiek van de tan­gens functie voor verschil­len­de waarden van het do­mein.

Voor de tangens functie geldt:

de tangens heeft peri­ode pi.

Afbeelding 35 f(x)=tan x Df=[-1,5π,1,5π]

35


 

Afbeelding 36 f(x)=tan x Df=[-2π,2π]

Afbeelding 37  f(x)=tan x  Df = [-3½π,3½π]

 


II.25�        VRAGEN


 

1    Bereken :

 

a    sin (π/6)

b    sin (5π/6)

c    sin (7π/6)

d    sin (11π/6)

e    sin (13π/6)

f    sin (-π/6)

 


 

2    Bereken :

 

a    cos (π/3)

b    cos (2π/3)

c    cos (4π/3)

d    cos (5π/3)

e    cos (7π/3)

f    cos (-π/3)

g    cos (-2π/3)

 


3    Bereken:

 

a    tan (π/4)

b    tan (3π/4)  

c    tan (5π/4)

d    tan (7π/4)

e    tan (-π/4)

f    tan (-3π/4)

g    tan (-5π/4)

 

4    Toon met behulp van een een­heidscirkel aan:

sin (-α) = - sin (α)

cos (-α) = cos (α)

tan (-α) = - tan (α)

45

 

 

 

 

 

 

 

5    Ga na wat de eerder in dit hoofdstuk afgeleide formules betekenen voor de grafieken van sinus en cosi­nus.

 

6Teken de grafieken van sinus, cosinus en tan­gens voor domein [-3π,π]


II.27�        Periodieke Functies

Afbeelding 38 y=sin x ;periode=2π

 

We bekijken opnieuw de gra­fiek van

f : x ® sin x

In bovenstaande af­beelding is de gra­fiek van deze func­tie gete­kend op het interval

[ -2π,2π].

 

Kijk naar boven­staande afbeel­ding om na te gaan dat de sinusfunktie een periodieke functie is met periode T = 2π.

Een punt van de grafiek is :

x=-1½π     y = 1

Het eerstvolgende punt rechts hiervan met

           y = 1

is het punt:

x = ½π     y = 1

Enkele paren andere punten van de grafiek , die de­zelf­de y-waar­de hebben zijn weergegeven in volgende tabel en tevens met stippellij­nen weer­gegeven in de boven­staan­de afbeel­ding. De peri­ode van de sinusfunktie is 2π; dit is het klein­ste[1] posi­tieve getal  T waarvoor geldt dat voor alle waar­den van x geldt

f(x+T) = f(x)

In de tabel blijkt inderdaad dat

f(x + 2π) = f(x)

voor de daar berekende waarden van x.

x

y

 

 

-1½π

1

½π

1

-1¼π

½Ö2

¾π

½Ö2

0

π

0

-¾π

Ö2

1¼π

Ö2

-½π

-1

1½π

-1

Ga na aan de hand van de af­beelding aan het begin van deze paragraaf dat dit voor alle waar­den van x geldt. De lengte van de getekende stippellijnen is dus precies gelijk aan de peri­ode:

T = 2π

 

Het domein van de functie is Å

Er geldt

f(0) = 0

f(½π) = 1

Voor x = ½π heeft f een plaat­selijk maximum 1.

Voor x = 2½π heeft f ook een plaatselijk maximum 1

Evenzo heeft f een plaatselijk maximum voor

x = -1½π

In formule:

f(½π) = f(2½π)

f(-1½π) = f(½π)

In feite geldt voor alle punten

.....,-3½π,-1½π,½π,2½π,4½π,.....

dat f de waarde 1 aanneemt

Evenzo geldt voor alle punten

....,-3½π,-1½π,½π,2½π,4½π,.....

dat f de waarde -1 aanneemt (minimale waarde)

Er geldt dus:

....=f(-3½π)=f(-1½π)=f(½π)=f(2½π)=f(4½π)=.....=1

en ook

....=f(-3½π)=f(-1½π)=f(½π)=f(2½π)=f(4½π)=....=-1

 

We hebben nu gezien dat voor

 

x = ½π

 

de vergelijking

 

f(x + 2π) = f(x)

 

overgaat in

 

f(½π + 2π) = f(½π)

 

Willen we voor alle genoemde punten met

y waarde = 1 

een vergelijking opstellen dan kunnen we note­ren:

f( ½π + k° 2π) = 1

met k Π Í

Evenzo kunnen we noteren voor alle punten met

y-waarde = -1

f(1½π + k° 2π) = -1

met k Î Í

43

Hierbij is

Í = { .... ,-4 , -3, -2, -1, 0, 1, 2, 3, 4, ..... }

(zie Getal verzamelingen, getallenlijn)

 

Deze eigenschap is niet beperkt tot de punten waar de sinus zijn maximum of minimum heeft, maar gelden in feite voor alle x :

f(x) = f(x + k° 2π)

met k een geheel getal k Î Í.

 


II.29�        VRAGEN

II.30�a�        Open vragen


 

1    Bereken met een re­kenmachine.

maak de volgende tabel af:

  α      sin α

 

 


 

2    Bereken met een re­ken­machine.

maak de volgende tabel af:

  α      cos α

 


 

3    Bereken met een re­ken­machine

maak de volgende tabel af:

  α      tan α

 

 

 

 

 


4a   Teken in drie ver­schil­lende fi­guren de gra­fieken van

 

f(x) = sin x

g(x) = cos x

h(x) = tan x

 

b    zet op de x-as de waar­den voor x  (=α)uit som 1,2,3.

 

c    teken de drie grafieken ook in een figuur.

 


5    Wat is de periode van de functie

 

f(x) = sin x

 

6    Wat is de periode van de functie

 

f(x) = cos x

 

7    Wat is de periode van de functie

 

f(x) = tan x

 

8    Schrijf de periodici­teitsvoor­waarde op voor de funkties:

 

f(x) = sin x

g(x) = cos x

h(x) = tan x

 

B    geef de periodiciteit ook weer met een ver­gelij­king waarin  k Î Í.

 

II.30�c�        Meerkeuze vragen


 

1    De periode van f(x) = tan 2x is:             

 


 

2    De pe­riode van f(x) = sin 2x is:

 


 

3    De periode van f(x) = cos 2x is:

     


4    De periode van

f(x) = tan ½x

is:

 


5    De periode van

f(x) = cos ½x is:

 

 


6    De periode van f(x) = sin ½x is:

 

 


II.31�        Inverse functie en re­kenmachine

 

In de voorafgaande pa­ragrafen is be­sproken hoe we uit­gaande van een waar­de voor x met be­hulp van een reken­machine kunnen berekenen wat de waar­de is van de functies:

 

y = sin x

y = cos x

y = tan x

 

We typen dan de waarde van x in op de re­kenmachine , drukken op de desbe­treffende funk­tieknop en in het display van de re­kenmachine ver­schijnt de ge­zocht­e funktiewaarde(y).

 

Wat nu als we de om­ge­keerde vraag stel­len, dat wil zeggen als we bij een ge­geven y-waar­de van een van de functies

 

y = sin x

y = cos x

y = tan x

 

vragen naar de bij­be­horende waarde van x.

Deze vraag laat zich ook formu­leren als:

gegeven een y-waarde van een van de go­nio­metri­sche functies sinus x, cosinus x,tangens x

bepaal welke draaihoek x( = α, boog α) daarbij hoort.

Notatie:

x = sin-1 y

x = cos-1 y

x = tan-1 y

Spreek uit: inverse sinus, inverse cosinus en in­verse tangens of ook boogsinus, boogcosinus en boogtangens (latijn / engels: arc=boog).

 

Voorbeeld 1

bereken: sin-1 2

TYP IN :

                  2

                

 

in het display ver­schijnt:

 

 

sin

48

 

E

49

inv

47

de afkorting voor: Error

hetgeen foutmelding is.

De vergelijking

sin x = 2

heeft immers geen en­kele oplos­sing:

x Î de lege verzameling

 

Voor alle x Î Å geldt im­mers:

 

-1 £ sin x £ 1

 

Voor de cosinus geldt een soort­gelijke onge­lijk­heid:

 

-1 £ cos x £ 1

Echter voor de tangens­funktie

f(x) = tan x

geldt geen beperking; Bf = Å

 

Als we invoeren

 

2

51

dan ver­schijnt in het display:

tan

52

inv

51

 

indien we de in­verse functie gebruiken van sinus cosinus en tan­gens functie dan is bij inver­se sinus en co­si­nus de input be­perkt tot getal­len tussen -1 en 1.

Bij de inverse tangens is alle invoer moge­lijk.

De output wordt gege­ven in radi­alen of gra­den.

54


1.1071487 

53

 

De rekenmachine is ge­maakt met in achtneming van volgende internationaal erkende wiskun­dige stan­daard:

 

Voor de inverse sinusfuctie sin-1 is

het domein [-1,1] en het be­reik [-½ π , ½π]

(in graden  [-90° , 90°])

 

Voor de inverse cosinusfuctie cos-1 is

het domein [-1,1] en het bereik [0 , π]

(in graden [0° , 180°] )

 

Voor de inverse tangensfunktie is

het domein D = Å en het bereik is [ -½π , ½π ]

 

In plaats van inverse sinus ge­bruikt men voor deze functie ook de naam arcsinus, afgekort arc­sin of asin.

In plaats van inverse cosinus gebruikt men voor deze functie ook de naam arccosinus afgekort arccos of acos

In plaats van inverse tangens gebruikt men voor deze functie ook de naam arctangens afge­kort arctan of atan


 

Voorbeeld 2

bereken sin-1(-0,5) en cos-1(-0,5)

TYP IN:

0,5    inv  ±  sin

dan verschijnt:

 

-0.5235988

60

TYP IN:

0,5    inv  ±  cos

     

 

      dan

 

2.0943951

66

 

 

(radialen).


II.33�        VRAGEN

 

1�   Ga na aan de hand van het be­handelde in hoofd­stuk 1 dat de inverse functies van de sinus, cosinus en tangens voldoen aan de eigenschappen die gelden voor functies.

 

2�   Teken de grafiek van de inverse sinusfunktie met het eerder ge­geven domein en bereik.

Doe hetzelfde voor de inverse tangens functie en de inverse cosi­nus.

 

3�   Bepaal met behulp van de re­kenmachine de waarde van α indien gegeven is :

 

a    sin α = 0,1

b    cos α = -0,2

c    tan α = -10

d    sin α = -0,7

e    cos α = 1

f    cos α = -1

g    tan α = 1

h    cos α = 0

 

4�   bereken

 

a    sin-1(0,5) =

b    cos-1(-0,5) =

c    cos-1(0.1) =

d    tan-1 (12) =

e    sin-1 (-0,3) =


II.35�        Algemene oplossing van de inverse goniome­tri­sche vergelijking

 

In de voor­af­gaan­de para­graaf is ge­toond hoe met de reken­ma­chine de inverse functie van si­nus, co­sinus en tangens te be­palen is. Als we op zoek zijn naar alle oplos­singen van een ver­ge­lijking zoals bij­voor­beeld

sin x = ½

Afbeelding 39 y=sin x , y=0,5 op[0,π]


dan schiet de rekenmachine te kort.

De rekenmachine geeft immers maar een antwoord:

 

x = sin-1 ½ = 0,5235987

Dit is ook:

x = 1/6 π

(ga dit na)

 

Indien wij alle oplossingen voor x willen weten van de  ver­gelijking

sin x = ½

dan kunnen we twee zaken be­denken:

i    uit de periodiciteit van de sinusfunk­tie volgt, dat elk geheel veelvoud van 2 π        (=  6.2831853 = de periode) kan worden opge­teld of af­getrokken bij de door de re­kenma­chine bepaalde waar­de.

ii   als we de grafiek van y = sinus x be­kij­ken op het inter­val [0,π] dan zien we dat er daar nog een tweede x be­staat met sin x = ½

namelijk x = 5/6 π

 

In afbeelding 99 is getekend de grafiek van de functies

f(x) = sin x

g(x) = ½

in het domein [0,π].

Het oplossen van de vergelij­king

sin x = ½

komt neer op het vinden van snijpunten van de functies f en g.

 

In het domein [0,π] zijn dat de punten:

Omdat de sinusfunktie periodiek is met periode 2 π voldoen ook alle punten waarvoor de x-ko­rdi­naat gelijk is aan

 

81

 

82

 

met k Î Í  ,  dat wil zeggen alle gehele veel­vou­den van 2π vol­doen ook voor x.

 

als c Î Å een gegeven ge­tal is waarvoor geldt

-1 £ c £ 1

dan is de volledige oplossing van de ver­ge­lij­king

sin x = c als volgt te bepalen:

 

         -i       bepaal eerst met de rekenmachine de waarde α waarvoor geldt

         α = sin -1 c

        

-ii  de volledige oplossing van de ver­gelijking sin x = c wordt nu gege­ven door:

     x = α + k2π

     x = π - α + k2π

         met k Î Í

 

67


We kunnen deze oplossing ook bepalen met een een­heidscirkel

Afbeelding 40

 

 

y = sin x en ook y = ½

Het lijnstuk Op maakt hoek α = 1/6 π met de posi­tieve x-as

In het tweede kwadrant vinden we een lijnstuk met hoek π - α = π - 1/6 π = 5/6 π met de posi­tieve x-as

Voor beide hoeken geldt:

 

sin (1/6π) = ½

sin (5/6π) = ½

 

Voor beide punten geldt:

we kunnen evenzogoed nog een volle­dige omwen­te­ling (2π) rechtsom of linksom maken, dan vinden we weer dezelfde waar­de voor de sinus (y-co­rdi­naat van P)

De volledige oplossing voor x van de vergelij­king

sin x = ½

is gegeven door:

 

83

 

84

 

met k Î Í  = { ..., -2, -1, 0, 1, 2, ....}

 

Voor de cosinus en de tangens functie kunnen we op soortge­lijke wijze te werk gaan. Alleen het resultaat wordt ge­geven:

 

 

als c Î Å een gegeven ge­tal is waarvoor geldt

-1 £ c £ 1

dan is de volledige oplossing van de ver­ge­lij­king

cos x = c als volgt te bepalen:

 

         -i       bepaal eerst met de rekenmachine de waarde α waarvoor geldt

         α = cos -1 c

        

-ii  de volledige oplossing van de ver­gelijking cos x = c wordt nu gege­ven door:

     x = α + k2π

     x = - α + k2π

         met k Î Í

 

68

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

als c Î R een gegeven ge­tal is dan is de vol­ledige oplossing van de ver­gelij­king

 

tan x = c

 

als volgt te bepalen:

 

         -i       bepaal eerst met de rekenmachine de waarde α waarvoor geldt

         α = tan -1 c

        

-ii  de volledige oplossing van de ver­ge­lij­king tan x = c wordt nu gegeven door:

 

     x = α + kπ

     met k Î Z

 

69


II.37�        VRAGEN

 

II.38�a�        open vragen

1�   a�Ga met behulp van de grafiek van de cosi­nus­funk­tie na wat de oplossing is van de vergelij­king :

cos x = ½

b�Ga ook met behulp van de een­heidscirkel na welke oplossin­gen de vergelijking cos x = ½ heeft.

 

2�a�Ga met behulp van de grafiek van de si­nus­funk­tie na wat de oplossing is van de ver­gelij­king :

sin x = ½Ö2

b�Ga ook met behulp van de een­heidscirkel na welke oplossin­gen de vergelijking sin x=­½Ö2 heeft.

 

3�a�Ga met behulp van de grafiek van de tan­gens­funk­tie na wat de oplossing is van de ver­gelij­king :

tan x = Ö3

b�Ga ook met behulp van de een­heidscirkel na welke oplossin­gen de vergelijking tan x= Ö3 heeft.

 

3    De tangens functie heeft perio­de π

beschouw eerst het interval [-π/2 , π/2].

Ga met behulp van de grafiek na dat een verge­lij­king tan x = c voor iedere waarde van de con­stan­te c precies een oplossing heeft. Teken daartoe een koor­dinatenstelsel met het gegeven domein, de grafiek van de tan­gens functie en de grafiek van de een constante functie ( hori­zon­tale lijn). Konkludeer vervolgens uit de perio­diciteit van de tangens dat de volledige oplos­sing (als het domein =Å ) gegeven wordt door het tekstkader op de vorige bladzij.

 

4�   Teken in een figuur de grafie­ken van de func­ties:

f(x) = cos x

g(x) = ½Ö2

op het interval [0 , 2π]

 

abepaal de koordinaten van de snijpunten van f en g

 

bwat is de volledige oplossing van de ver­gelij­king:

 

cos x = ½Ö2voor x Î Å

 

5�   teken een eenheidscirkel met daarin twee hoeken:

α1 = π/4

α2 = -π/4

 

a    bepaal cos α1

b    bepaal cos α2

c    geef de oplossing van de vergelijking:

 

cos x = ½Ö2voor x Î Å

 

6�   Teken in een figuur de grafie­ken van de functies

 

f(x) = tan x

g(x) = _Ö3

 

en los op :

f(x) = g(x)voor x ÎÅ

 

7�   In afbeelding 101 , ... , afbeelding 104 zie je gra­fieken die horen bij pe­ri­o­dieke funkties. Geef bij elke afbeelding het funktievoor­schrift.

Afbeelding 41 Bepaal het funktievoorschrift


 

Afbeelding 42 Bepaal het funktievoorschrift

Afbeelding 43 Bepaal het funktievoorschrift

 


 

Afbeelding 44 Bepaal het funktievoorschrift


 

8�Geef voor

twee waarden van α als

sin α = 0,6      cos α = -0,4              sin α = -0,3             

 

 

II.38�c�        Meerkeuze­vragen

 

1�   De oplossing van de verge­lij­king

sin x = sin (-π/6) is

 

 

 

 

87

 

2�Wat is de volledige oplossing van cos x = 0,5?

 

91

92

 

 

 

 

 

3�De volledige oplossing van tan x = 1  voor

 x Î Åluidt:

93

 

 

94

 

 

9596

 

 

4�Geef de volle­dige oplossing van de  vergelijking

4 sin x = -2

 

97

 

98

 

 

 

 

99

 

100

 

 

 

 

 


II.39�        De sinus en cosinus functie als golven

 

Het belang van de sinus en co­sinusfunktie ligt er in dat het mogelijk is om alle soorten tril­lingen of golven te beschrijven met behulp van de functies si­nus en cosinus. Zie ook :

 

We hebben al gesproken over de periode van de sinus en cosinus functie. deze wordt gewoonlijk T genoemd T = 2 π

In de praktijk heeft ook het om­gekeerde van de periode een naam:

 de frequentie

 

de maximale en de minimale waar­de van sinus en cosinus functies

zijn 1 en -1.

 

ymax=1

 

ymin=-1

 

 Het midden tussen de minimale en de maximale waarde heet de even­wichtsstand van de sinus of cosinus functie.

De evenwichtsstand van de si­nus en cosinus func­tie is 

y = 0

Onder de Amplitude van de si­nus of cosinus func­tie verstaan we de afstand van het maximum of minimum tot de evenwichtsstand.

(de amplitude is altijd positief)

 

II.40�a�        Voorbeeld 1

 

gegeven de functie

 

f(x) = 2 cos (3x) + 1

 

bepaal de amplitude van deze functie; bepaal ook de even­wichtsstand, de periode,

 

Antwoord:

de amplitude is:

A = 2

De evenwichtsstand is

y = 1

Immers, wat we ook invullen voor x, de waarde van cos 3x ligt

tussen -1 en 1. Het bereik van f is dan

[-1,3]

De evenwichtsstand (offset) is dan 1 en de am­pli­tude 2

om de periode te bepalen gaan we als volgt te werk:

de periode van sin x is 2 π zoals bekend.

los op

3x = 0      Þ    x = 0

3x = 2π     Þ    x = _π

dus de periode is _π

Als x = _π dan geldt

sin (3°_π) = sin 2π = 0

en heeft de sinus een volledige periode afgelegd vanaf x = 0

 

We kunnen ook denken aan een staande golf zoals bijvoorbeeld een trillende snaar. Denk ook aan een brug op peilers.

(zie )

de functie

f(x) = A sin kx

heeft amplitude A, evenwichts­stand = 0 en

golflengte = periode =

de grootheid k heet het golfgetal

Als de eenheid van x meter [m] is

dan is de eenheid van k:  per meter [1/m]

Afbeelding 45 Ruis

Wat achter de functie sinus staat heeft dus al­tijd de dimensie van een getal zonder eenheid. Dit geldt voor alle goniometrische funkties

 

Tenslotte nog een toepassing van sinus en cosi­nus funkties. Bovenstaande afbeelding toont een signaal met ruis. Dergelijke signalen zijn met behulp van wiskun­dige tech­nieken te ontleden in een spek­trum van sinus­funkties (of des­gewenst cosinusfunkties).

De functie

 

f(t) = A sin ωt

 

heeft de volgende in­terpretatie:

t = tijd  in sekonde die verstreken is van­af tijdstip t = 0

 

f is een functie van de tijd, de eenheid van f is gelijk aan de eenheid van A, de ampli­tude van de tril­ling. Dit kan een grootheid zijn met een dimensie lengte ( een­heid [meter]) zoals bij een trillend voorwerp, maar ook kan men denken aan een grootheid met een een­heid gelijk aan die van de elektrische of magneti­sche veldsterk­te. Ook kan men den­ken aan de amplitude als de maximale uitwij­king van de trillende luchtmolekulen in een ge­luids­golf. Men noemt de grootheid ω de hoek­frequentie (eenheid: [radialen/sekonde]). Er geldt:

ω = 2πf

met f de frequentie (eenheid [1/s]=[Hertz])

Voor de periode van deze sinus geldt:

 

T = 1/f

 

de Trillingstijd T heeft als eenheid se­konde [s] en is de tijd nodig voor een volledige trilling

70



II.41�        VRAGEN

 

1�Gegeven de pe­ri­odieke funk­ties:

 

               

103

Geef van elk van deze funk­ties de ampli­tude en de frekwentie.

 

 

2�   ge­ge­ven de functie:

 

g(x) = 1 - cos (2πx)

 

a    bepaal de evenwichtsstand van g

b    be­paal de maximale en de mi­ni­male waarde van g

c    be­paal de am­plitude van g

d    be­paal de periode (golfleng­te) van g

 

3�   Gegeven:

f(x) = 50 sin (25x)

a    bepaal de evenwichtsstand van g

b    bepaal de maximale en de minimale waarde van g

c    bepaal de amplitude van g

d    bepaal de periode (golfleng­te) van g

 

 

4�   gegeven de functie :

 

f(x) = 4 cos (4πx) + 4

 

a    bepaal de evenwichtsstand van g

b    bepaal de maximale en de minimale waarde van g

c    bepaal de amplitude van g

d    bepaal de periode (golfleng­te) van g

 

 

5�   gegeven de functie

Afbeelding 46 bepaal de functie


 

f(x) = tan (πx)

 

a    bepaal de evenwichtsstand van g

b    bepaal de maximale en de minimale waarde van g

c    bepaal de amplitude van g

d    bepaal de periode (golfleng­te) van g

 

6�gegeven onderstaande grafiek. Bepaal het funk­tie­voor­schrift,de evenwichtsstand,de Am­plitude en de periode .

 

 

7�De volgende functies zijn voor­beelden van zoge­naam­de zaag­tand functies Gegeven de

volgende grafieken.

Bepaal  steeds:

 

     i    De evenwichtsstand

     ii   De Amplitude

     iii  De periode


 

Afbeelding 47

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Afbeelding 48


 

Afbeelding 49


 

Afbeelding 50


 

Afbeelding 51

 

 

 


 

Afbeelding 52

 

 


 

Afbeelding 53

 


8�De volgende functies zijn voor­beelden van zoge­naam­de blok functies.

Gege­ven de volgende grafieken.

Bepaal  steeds:

 

     i    De evenwichtsstand

     ii   De Amplitude

Afbeelding 54

     iii  De periode


 

Afbeelding 55


 

Afbeelding 56


9�De volgende functies zijn voor­beelden van pe­rio­dieke functies Gegeven de

volgende grafieken.

Afbeelding 57

Bepaal  steeds:

 

     i    De even­wichtsstand

     ii   De Amplitude

     iii  De periode

 

Afbeelding 58


 

 

Afbeelding 59

 

 


 

Afbeelding 60

 


 

 

Afbeelding 61

 

 


 

Afbeelding 62

 


 

 

Afbeelding 63

Afbeelding 64

 

 

 


10�De volgende afbeelding is geen grafiek van een peri­odieke functie

 Kun je toch iets zeg­gen over de even­wichtsstand en de am­pli­tude?

Meet de afstand tussen twee toppen (met een centimeter). Welke be­te­kenis heeft dit ge­tal?

Afbeelding 65 willekeurige trilling


II.43�        De functies sin2 x cos2 x en tan 2 x

 

II.44�a�        grafieken

Als we de functie

 

y = (sin x)2

 

be­doe­len dan wordt dit geno­teerd als

 

y = sin2 x

 

Omdat voor alle ge­tal­len x geldt:

-1 £ sin x £ 1

 

 volgt hier­uit:

 

0 £ sin2 x £ 1

 

Om de gra­fiek te te­kenen van

 

y = sin2 x

 

maken we een ta­bel, gebruik ma­kend van de eerder verkregen waarde van de functie y = sin x

x

0

π/6

π/4

π/3

π/2

sin x

0

1/2

½Ö2

½Ö3

1

sin2 x

0

1/4

½

¾

1

 

Afbeelding 66 y=sin2 x D=[-2π,2π]


In de tabel is voor alle  x Î [0 , π/2 ] het resul­taat weergegeven ; deze resultaten laten zich ge­makkelijk uitbreiden naar an­dere waarden van x.

In bovenstaande afbeelding is de grafiek gete­kend van de functie

 

y = sin2 x

 

Merk op dat geldt:

 

de periode = π

het minimum = 0

het maximum = 1

De evenwichtsstand = ½

De amplitude = ½

Afbeelding 67 y=cos2 x  D=[0,4π]

In de volgende afbeeldingen zijn gegeven :

de grafiek van y = cos2 x :


 

Afbeelding 68 y=tan2 x  D=[-1,5π , 1,5π]

en van  de functie

y = tan2 x


II.44�c�        Pythagoras

 

Bekijk nogmaals de eenheids­cir­kel:

Afbeelding 69 Pythagoras in de eenheidscirkel


 

De koordinaten van punt P op de eenheidscirkel zijn

(xp, yp)

Uit de stelling van Pythagoras volgt:

xp2 + yp2 = 1

Dus geldt :

sin 2 α + cos 2 α = 1

 

Deze formule kan gebruikt wor­den om de waarde van de cosi­nus te berekenen aan de hand van de waarde van de sinus:

               

104

               

105

Algemeen

 

sin2 x + cos2 = 1

 

geldt voor alle x


II.45�        VRAGEN

 

1�teken in een figuur de grafieken van

f(x) = sin2 x

g(x) = cos2 x

h(x) = 1

 op het interval [0,2π]

 

2�   Gegeven

sin x = 0,6

bereken :

cos x

tan x

 

3�   gegeven :

tan2 x = 1

Wat is de waarde van x?

4�   gegeven:

cos x = 12/13

bereken sin x

 

5�   los op in Å

sin 2 x = 1/3

 

6�   los op in Å

 

cos2 x = 1


II.47�        Eenparige cirkelbeweging

 

Een punt p voert een eenparige cirkelbeweging uit.

 

In natuurkunde voor de c-ope­rator wordt behan­deld:

de eenparig rechtlijnige bewe­ging. Dat is bewe­ging langs een rechte lijn, waarbij in gelijke tijds­duren een gelijke weglengte wordt afgelegd. Dit bete­kent dat de snelheid v een konstante is.

 

Zo is een eenparige cirkelbe­weging  een beweging langs een cirkel waarbij in gelijke tijdsduren een gelijke booglengte wordt afgelegd.

In dit geval is de hoeksnelheid ω konstant.

 

Het begrip hoeksnelheid ver­dient nog een toe­lich­ting. De eenheid van snelheid is [meter/se­konde]

De eenheid van hoeksnelheid is [radiaal/sekonde]

De grootte van de snelheid wordt weergegeven door de let­ter v.

Voor een eenparig rechtlijnige bewe­ging geldt:

 

v = konstant,

s = de lengte van het lijnstuk dat doorlopen is in de tijd t van­af t = 0.

 

De grootte van de hoeksnelheid wordt weergegeven door de let­ter ω .

Voor een eenparige cirkelbewe­ging geldt:

met ω = konstant,

α = de grootte van de doorlopen middelpuntshoek in

de tijd t vanaf t = 0.

Nog steeds geldt voor de grootte van de snelheid v bij de eenpa­rige cirkelbeweging:

108


met v = konstant.

Nu is s = de lengte van de door­lopen cirkelboog in

de tijd t vanaf t = 0

 

Een wezenlijk verschil tussen eenparig rechtlij­nige beweging en eenparige cirkelbeweging is dat de richting van de snelheid bij een eenparige recht­lijnige beweging gelijk blijft terwijl bij een eenparige cirkelbeweging de richting van de snel­heid voort­durend verandert. De grootte van de snelheid blijft in beide gevallen gelijk.

 

Bij een cirkelbeweging kan de richting van de snelheid weer­gegeven worden door een pijl die raakt aan de cirkel; zie ook het onderwerp vek­toren bij na­tuurkunde. De pijl verandert van richting, maar de lengte van de pijl blijft gelijk.

 

Bij de eenparig rechtlijnige beweging is de versnelling (accelleratie):

 a=0 [meter/sekonde2]

bij de eenparige cirkelbeweging is de versnel­ling niet nul; hoewel de grootte van de snelheid gelijk blijft verandert de richting van de snel­heid. De versnelling kan worden weerge­geven door een pijl die steeds wijst naar het middelpunt van de cirkel. De grootte van de versnelling (=lengte van de pijl) is daarbij steeds gelijk aan:

Dit is een konstante omdat v en R konstant zijn. Men noemt deze versnelling de middelpuntzoekende versnelling. De afleiding van deze formule is voor gevorderden  

De Nederlandse wis- en natuurkundige Christiaan Huygens was degeen die als eerste deze formule afleidde

 

Begint de beschrijving van de cirkel­bewe­ging van punt P op tijdstip:

t = 0

dan zal de grootte van de door­lopen middelpunts­hoek even­redig zijn met de tijd:

α = ω t

hierbij is ω konstant.

Na een tijdsduur T (=de periode van de cirkelbe­we­ging) zal punt P opnieuw op dezelfde plaats terecht komen als in het begin.

Op de tijdstippen:

t = 0

t = T

t = 2T

t = 3T

enzovoort

zal punt P het beginpunt passe­ren.

Bij die tijdstippen kunnen we gemakkelijk op­schrijven wat de middelpuntshoek α is:

t

α

0

0

T

2T

op het tijdstip

t = T

geldt

α = 2π

 

Invullen in de vergelijking

α = ω.t

levert

2π = ω.T

We konkluderen dat geldt voor de konstante hoek­snelheid ω :

                   

110


Voor de lengte van de boog geldt:

s = αR

Hieruit volgt:

 

s = ωtR=ωRt

Voor de grootte van de baan­snelheid v tijdens de cirkelbe­weging kunnen we afleiden:

           

111


Hieruit volgt weer:

 

                  

112


In plaats van periode spreken we over de fre­quen­tie van een cirkelbeweging:

                    

113


De periode T is de tijd nodig om een hele cirkel af te leg­gen.De frekwentie (toerental) is het aan­tal malen per sekonde dat het punt rond­draait.In onderstaande tabel zijnde eenheden en groot­heden van de cirkelbeweging op een rij gezet met de daarbijbehorende letter:

 

symbool

grootheid

eenheid

s

wegleng­te

[meter]

v

snelheid

[meter/sekon­de]

a

versnelling

[meter/sekon­de2]

t

tijd

[sekon­de]

T

periode

[sekon­de]

f

frequen­tie

[1/sekon­de]=[Hertz]

R

straal

[meter]

α

middel­punts­hoek

[radialen]

ω

hoeksnel­heid

[radia­len/se­konde]

 

Tenslotte: de eenheid radiaal is gedefinieerd als maat voor de middelpuntshoek in een cirkel­boog door de leng­te van de boog te delen door de leng­te van de straal. De eenheid radiaal kan dus ook ge­schreven worden als [radiaal]=[me­ter/meter]=[1].

Hieruit volgt dat de radiaal dus ook dimensie­loos is, we kunnen de rad ook weglaten, bijvoor­beeld de hoeksnelheid is ook op te vatten als hoekfrequentie, eenheid [Hertz]=[1/sekonde]

 

70

II.49�        VRA­GEN

 

1�   De kleine wijzer van een klok draait éénmaal rond in 12 uur. De hoek­snelheid bedraagt:

 

 

 

 

 

 

 

a�0,09.10‑3 rad/sec

b�0,3600 rad/sec

c�1,45.10‑4 rad/sec

d�1/800.π rad/sec

 

 

 

 

2�   Een punt P ligt op een ronddraaiende schijf. De afstand van P tot het middel­punt bedraagt 0,5 m.

De schijf draait eenparig met een toerental van 2 omwen­telin­gen per sekonde.

De baansnelheid van P bedraagt:

 

a�3,14 m/s

b�9,42 m/s

c�6,28 m/s

d�14,56 m/s

 

 

3�   Iemand heeft een hartslag van 100 slagen per mi­nuut. De frequentie is dan:

 

a�

b�

c�

d�

 

71

II.51�        Toepassingen

 

Een belangrijke toepassing van het voorafgaande vin­den we bij de opwekking van elektrische wis­sel­spanning .

In de elektriciteitscen­trale wordt energie om­ge­zet in de draaibeweging van een rotor in een ge­nera­tor. In natuur­kunde voor de B-operator is be­han­deld de wet van Fara­day:

Afbeelding 72 massa/veer

In een spoel die zich bevindt in een veranderend magne­tisch veld wordt een induktiespan­ning opge­wekt. Door een spoel rond te draaien in een magneet veld (fietsdynamo) of door een mag­neet rond te draaien in een generator met spoelen (e;lek­trici­teitscentrale) kun­nen we dit principe gebruiken voor het opwek­ken van wissel­stroom.

 

 

 

een andere toe­passing vin­den we in de trillen­de veer.

Aan de veer hangt de mas­sa m. Op de massa wer­ken:

 

-de zwaarte­kracht

-de veer­kracht

 

In rust geldt:

 

 

Afbeelding 73 uitwij­king u massa/veer

u = 0

 

Hier­bij is u de uit­wij­king.Als we de veer uit­rek­ken ­door de mas­sa naar be­neden te trek­ken en los te la­ten, dan zal de mas­sa gaan trillen rond de even­wichts­stand

u = o

 

De verge­lijking voor de uitwij­king u is dan :

 

 

u = A sin ωt

 

Waar bij

 

      

118

T is de periode van de trilling, dat wil zeg­gen de tijd nodig voor een volledige trilling (op en neer).

In dit model van een trilling is de wrijving ver­waarloosd, die ervoor zorgt dat  na lange tijd de trilling gedempt wordt zodat de veer weer tot rust kan komen.

Afbeelding 74 trilling = sinus

Indien we een stift bevestigen aan het midden van de trillende massa en een rol papier trekken langs de trillende stift dan zal de stift een sinusgra­fiek tekenen op het de papierrol.

 

 

 

Afbeelding 75 ingeklemde staaf

Een andere toepassing is een snaar die ingeklemd is tussen twee vaste wanden. In plaats van een snaar kun­nen we ook denken aan een staaf, plaat , balk of iets dergelijks.

 

 

 

 

 

 

Een sinusvormige golf kan optreden in de snaar mits de uitein­den op hun plaats blijven .Algemeen geldt:

                   

119

voor n Î Á .

                   

120

 

 

 

 

Voor de uitwijking geldt:

                 

122

Dit kan men ook als volgt inzien:

 

                

123

 

 

 

 

 

                

121


 

 

 

De x-as kunnen we denken op de staaf.

Het linker uiteinde is

x = 0

het rechtereinde is:

x = L

 

Een sinusvormige trilling in de staaf wordt gegeven

 door :

                 

124

                

125

 

Voor x = 0 wordt dit:

 

Voor x = L moet ook gelden:

u = 0

                  

126

zodat

                

127

De vergelijking sin (kL) = 0 heeft als oplossin­gen:

               

128

Afbeelding 76 eigentrilling, eerste orde of fundamentele

Dit stelsel van twee vergelijkingen laat zich schrijven als een vergelijking:

 

                 

129

zodat geldt :

 

                   

130

Men spreekt in dit verband over eigentrillingen van een systeem.

Hiervoor geldt

                

131


 

Afbeelding 77 eigentrilling, tweede orde


II.53�        Samenvatting

 

f : x ®  sin x

f : x ®  cos x

f : x ®  tan x

 

zijn periodieke functies

 

Voor de sinus functie en de cosinus functie geldt:

voor alle x

 

f(x) = f ( x + 2π )

f(x) = f ( x + 2π )

 

Het zijn 2π periodieke functies

Voor de tangensfunktie geldt

voor alle x

 

f(x) = f ( x + π )

 

Het is een π periodieke functie.

 

Algemeen geldt:

 

een functie heeft periode p als geldt

voor alle x

f(x) = f(x + p)

De periode p is het kleinste positieve getal  waarvoor deze eigenschap geldt.

 

Als een periodieke functie een maximum en een minimum heeft, dan is de evenwichtsstand het midden tussen het maximum en het minimum.

 

De amplitude is de afstand van de evenwichts­stand tot het maximum ( of minimum)

 

     -de vergelijkingen:

     sin x = konstant

     cos x = konstant

 

hebben alleen oplossingen als geldt:

 

     -1 £ konstante £ 1

     de vergelijking

     tan x = konstant

heeft een oplossing voor iedere waarde van de kon­stan­te


 

sin x = c

 

-i       bepaal eerst met de rekenmachine de       waarde α waarvoor geldt

         α = sin -1 c

        

-ii      de volledige oplossing van de ver­ge­lij­king sin x = c wordt nu gegeven door:

 

     x = α + k2π

     x = π - α + k2π    met k Î Í

71

 

 

tan x = c

 

-i       bepaal eerst met de rekenmachine de       waarde α waarvoor geldt

         α = tan -1 c

        

-ii      de volledige oplossing van de ver­ge­lij­king tan x = c wordt nu gegeven door:

 

     x = α + kπ     met k Î Í

 

73

cos x = c

 

-i       bepaal eerst met de rekenmachine de       waarde α waarvoor geldt

         α = cos -1 c

        

-ii      de volledige oplossing van de ver­ge­lij­king cos x = c wordt nu gegeven door:

 

     x = α + k2π

     x = 2π - α + k2π   met k Î Í

72


De functief (x) = A sin kx

heeft periode (golflengte) 132 en een ampli­tude A.

          u = A sin kx          k = 2π/λ             

symbool

grootheid

eenheid

u

uitwijking

[meter]

A

amplitude

[meter]

k

golfgetal

[1/meter]

x

plaats

[meter]

λ

golflengte

=periode

[meter]

 

 

          u = A sin ωt          ω = 2π/T = 2πf

 

symbool

grootheid

eenheid

u

uitwijking

meter

A

Amplitude

meter

ω

cirkelfrequen­tie (=hoekfreq)

[1/sekonde]

t

tijd

[sekonde]

T

Trillingstijd

= periode

[sekonde]

f

frequentie

[1/sekon­de]=[Hz]

 

Eenparige cirkelbeweging:

 

In een eenparige cirkelbeweging worden in ge­lijke tijdsdu­ren gelijke cirkelbogen doorlopen.

Voor de lengte van een cirkelboog nodig voor een  om­wen­te­ling geldt:

 

s = 2πR

 

(omtrek van een cirkel)

 

Voor de tijd nodig voor een omwenteling geldt:

 

t = T

 

Voor de grootte van de baansnelheid geldt:

                    

133

                   

134


Deze formule vereenvoudigen we tot

                    

135


                  

136


                  

137


Hierbij is ω (omega) de cirkelfrequentie of hoek­frequentie

met α de doorlopen middelpuntshoek in tijd t

 

Voor de lengte van de cirkelboog geldt

                    

138

cirkelbeweging

symbool

grootheid

eenheid

s

afgelegde weg

= booglengte

[ meter ]

v

snelheid

[meter/se­kon­de]

t

tijd

[sekonde]

α

middelpuntshoek

[radiaal]

R

straal

[meter]

ω

cirkelfrequen­tie(=hoekfreq)

[1/sekonde]

f

frequentie

[1/sekonde]

T

periode

[sekonde]


II.55�        Opgaven

 

1�Op een tijdstip t = 0

is een vat geheel gevuld met vloeistof.Men opent klep 2 en houdt klep 1 dicht. Alle vloeistof stroomt uit het vat, ver­vol­gens wordt klep 2 gesloten en klep 1 geopend, zodat het vat vol loopt..

Op het tijdstip

t = T

is het vat weer geheel gevuld met vloeistof.

Men herhaalt deze cyclus, en opent opnieuw klep 2, het vat stroomt leeg, klep 2 sluiten en klep 1 openen tot het vat weer gevuld is, enzovoort.

78

 

Gegeven:

 

T = 100 sekonde

 

de hoogte van het vloeistofnivo in het vat wordt gegeven door :

 

h( 0 ) = 1 meter

h ( t= 100 ) = 1 me­ter

 

Bovendien geldt:

 

h(40) = 0 meter

 

averklaar dat het vat in 40 sekonde leeg loopt en in 60 sekonde vol loopt.

 

ga uit van een kon­stante stroomsnelheid door de kleppen.

 

bgeef het funk­tievoorschrift van h als func­tie van t voor

0 £ t £ 40 sekonde

 

cgeef het funktievoorschrift van h als func­tie van t voor

40 £ t £ 100 sekonde

 

hint: de functie kan op het interval ge­schreven worden als h = at + b; bepaal de para­meters a en b

 

dgeef het funktievoorschrift van h als func­tie van t voor

100 £ t £ 140 sekonde

 

egeef het funktievoorschrift van h als func­tie van t voor

140 £ t £ 200 sekonde

 

fLos op

Afbeelding 79 ontlading in TL-buis

 

h = 0,5

 

ggeef de evenwichtsstand en de amplitude en de peri­ode van h. Teken tenslotte de gra­fiek van h voor 0 £ t £ 400

 

2�   In een TL-buis (tube luminiscant) vindt perio­diek een ontla­ding plaats doordat het gas dat de buis vult geleidend wordt. Een spanningsbron  laadt via een weerstand een condensator op. Het gas in de buis ioni­seert, waarbij de elek­tronen (nega­tieve la­ding) zich naar de posi­tieve pool van de conden­sator bewe­gen en de ionen (posi­tieve lading) zich naar de nega­tieve pool van de condensator bewegen. Hier­bij zendt het geïoni­seerde gas  zicht­baar licht uit.. De spanning in de kondensa­tor neemt snel af totdat de ontla­ding ophoudt . De condensa­tor wordt nu opnieuw opge­la­den door een uitwendige span­ningsbron (door een gelijk­richter verbonden met het elektri­ci­teitsnet ).

Bepaal de evenwichtsstand, de amplitude en de peri­ode.

 

3�   In de Verenigde Staten van Amerika hebben som­mige staten een wisselspanning met een frequen­tie van 60 Hz en maximale spanning (amplitude)

vMAX = 120 [Volt]

a    bereken ω

 

b    bepaal het funktievoorschrift  van spanning als functie van tijd.

 

c    teken deze functie in een assenstelsel  voorzien van een­heden (met ge­schikt gekozen afmetingen)

 

d    wat is de evenwichtsstand, de amplitude en de peri­ode?

 

4�   In een wisselstroomgenerator wordt een spanning opge­wekt:

 

V = Vmax sin ωt

 

Vmax = 311 [Volt]

f = 50 Hz

 

Geef de spanning als functie van de tijd

 

Geef het kwadraat van de spanning als functie van de tijd ( =Energie)

 

wat is de evenwichtsstand, de amplitude en de peri­ode van beide funkties?

 

5�   Een stemvork waaraan een pen is bevestigd wordt in tril­ling gebracht en boven een strook papier gehan­gen.

Het papier rolt met een snelheid van 10 m/s langs de pen.

Over een afstand van 10 centimeter telt men 5 periodes op het ruitjespapier.

 

a    bepaal voor dit probleem de frequentie van de stemvork.

De maximale uitwijking bedraagt A = 8 mm

 

bGeef het funktievoorschrift van de trillende stem­vork als functie van de tijd.



 



    [1]de toevoeging kleinste is noodzakelijk; immers de ei­genschap dat de y waarden gelijk zijn geldt ook indien we 4π naar rechts gaan; ja we kunnen zelfs ieder geheel veelvoud van 2π naar rechts (of naar links) gaan om dezelfde y-waarde terug te vinden.