I. Ge­broken funkties

 

II.1� Inlei­ding; de functie y=1/x.

 

We gaan nu functies onder­zoeken die we kunnen opvatten als een breuk van twee lineaire funk­ties :

 

64

Om te beginnen be­kijken we de functie

y =

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

Deze functie is niet ge­defi­nieerd als x = 0.

Delen door 0 mag niet.

Het domein is

x Î Å \ {0}

dat zijn alle getallen in Å behal­ve 0

We maken nu een tabel van de functie

y =

We kunnen volstaan met een tabel voor positieve x-waarden doordat we opmerkten dat deze functie puntsymmetrisch is ten opzichte van de oor­sprong: er geldt dus

 f(-x) = -f(x)

Gevolg: zetten we in de tabel een minteken bij de waar­de van x dan krijgen we een minteken bij de waarde van y

 

 

Afbeelding 39 y=1/x

Men noemt de grafiek van de functie

y =

   

een hyperbool.

 

II.3� asymptoten

 

Als we in de functie

y =

voor x een groot getal invullen, dan wordt y een klein getal. Naarmate x groter wordt, wordt y kleiner, voor steeds grotere x nadert y tot 0.

Dat betekent dat y zo klein gemaakt kan worden als we wil­len, door x groot genoeg te kie­zen. 

 

Bijvoorbeeld nemen we

x = 1 000 000 dan is y = 0.000 000 1

x = 1 000 000 000 dan is y = 0.000 000 000 1

 

We zeggen:

de  grafiek van de functie

69

nadert de lijn y = 0 (de x-as) voor grote x.

De lijn y = 0 is de asymptoot van de functie

y =

voor grote x.

Dit betekent dat de grafiek van f voor grote x steeds dich­ter bij de rechte lijn y=0 komt te liggen. De grafiek van f nadert de asymptoot y = 0, de grafiek en de asymptoot raken elkaar niet.

De waarde van y nadert tot 0, maar y wordt nooit 0.

 

Hetzelfde verhaal geldt als we x groot laten worden in de nega­tieve richting.

Als x negatief is en steeds klei­ner wordt (meer naar links op de x-as) dan nadert y ook tot 0.

Bijvoorbeeld nemen we

x = - 1 000 000 dan is y = -0.000 000 1

x = - 1 000 000 000 dan is y = -0.000 000 000 1

De lijn y=0 (x-as) is de horizontale asymp­toot, voor x zeer groot positief/negatief.

Dit noteert men als: x ® ± ¥ (x gaat naar plus of min on­ein­dig, x wordt een  steeds groter getal).

 

Nu kijken we wat er gebeurt als we voor x een klein positief ge­tal invullen, dat is een getal in de buurt van 0.

Bijvoorbeeld

x = 0.000 001 dan is y = 1 000 000

x = 0.000 000 001 dan is y = 1 000 000 000

Er geldt voor kleine positieve getallen x dat y groot wordt

Dat betekent dat y zo groot gemaakt kan worden als we wil­len, door x positief en klein ge­noeg te kie­zen. 

Dit betekent dat de grafiek van f voor posi­tieve kleine waarden van x steeds dichter bij de rech­te lijn x=0 (de y-as) komt te liggen. De gra­fiek van f na­dert de asymptoot x = 0, de gra­fiek en de asymptoot raken el­kaar niet.

 

Als we voor x een negatief getal in de buurt van 0 invullen, zien we iets soortgelijks.

Bijvoorbeeld

x = - 0.000 001 dan is y = - 1 000 000

x = - 0.000 000 001 dan is y = -1 000 000 000

 De gra­fiek van f nadert de asymptoot x = 0 voor x in de buurt van 0, de grafiek en de asymp­toot raken elkaar niet.

 

De waarde van x nadert tot 0, maar x wordt nooit 0.

(delen door 0 kan niet). Zie ook de grafiek in afbeelding.

De lijn x=0 (y-as) is de vertikale asymptoot voor x ® 0 , (x gaat naar nul, x wordt een steeds kleiner getalletje ).

 

 

II.5� Omgekeerd evenredig

Uit

y =

volgt

y×x = 1

In het algemeen geldt dat als het produkt van twee grootheden konstant is (bijvoorbeeld 1) dan kunnen we de grootheden uit­drukken in een gebro­ken functie. Men spreekt in dit verband van om­gekeerd evenredig: als x twee maal zo groot wordt dan wordt y twee maal zo klein, en­zo­voorts. Dit noteert men als y µ  , men komt ook nog tegen de oude notatie y ~ . Dit bete­kent dus dat er een konstant getal c is zodanig dat geldt y = c., oftewel y.x = c.

 

II.7� VRAGEN

 

11�Gegeven de functie:

y =

a�       Vul de volgende tabel in

 

x1000=1031041051061071081091010

 

y10-3

 

 

b�       Vul ook de volgende tabel in

 

x0.1=10-110-210-310-510-610-710-810-9

 

y10

 

c�       leg uit dat uit de tabel blijkt dat voor grote waarde van x de waarde van y nadert tot 0;

y = 0 is een asymptoot van de functie.

 

d�       leg uit dat uit de tabel blijkt dat voor steeds kleinere positieve waarde van x de waarde van y steeds groter wordt;

x = 0 is een asymptoot van de functie.

 

2�       Gegeven de functie

f(x) = 1000

        x

geef de asymptoten van deze functie.

 

3�       Gegeven de functie

f(x) = -

teken de grafiek van deze functie en geef ook de vergelijking van de horizontale en van de verti­kale asymptoot.

 

 

II.9� Toepassingen

 

II.10�a�         Voorbeeld 1, wet van Boyle

 

De engelsman Boyle heeft om­streeks 1650 vastgesteld dat als van een bepaalde gasmassa bij konstante temperatuur het vo­lume verkleind wordt, de druk evenredig groter wordt. Het re­sultaat staat bekend onder de naam: de wet van Boyle.

 

p×V = constant ( mits T tempe­ratuur en N aantal deeltjes kon­stant zijn)

 

4          vul onderstaande tabel in

V (in liter)20151085

p (in bar)1.5

 

opdracht

 

teken de grafiek van p (in bar) tegen V (in li­ter)

de grafiek kent twee asympto­ten. Welke zijn dat?

 

II.10�c�         Voorbeeld 2, draaimoment

 

Een balk rust in evenwicht op een as, en is vrij draaibaar om deze as; zie onderstaande afbeelding. Op een afstand van 1 meter rechts van de as wordt een gewicht met een massa van 5 kg gehangen. Het gewicht is dan 50 Newton (g = 10 ms-2; G=m×g) Om de balk in even­wicht te houden kan 1 meter links van de as ook een massa van 5 kg han­gen; het gewicht is dan eveneens 50 New­ton.

Ook kan men op een afstand van een œ meter een gewicht met een massa van 10 kg (G=100 Newton) ophangen. Algemeen geldt dat de balk in even­wicht is als links van de as een ge­wicht van F Newton op  een afstand r wordt gehangen, zo­danig dat geldt:

F Ž r = 50 

Dit heet het (draai)moment van de kracht.

We zien dat de balk in even­wicht is als         F Ž r = 50 dus als

                                                   

77

 

   

Afbeelding 40 evenwicht van draaimomenten

 

opdracht

 

teken de grafiek van F (in New­ton) tegen r (in meter)

de grafiek kent twee asympto­ten. Welke zijn dat?

 

II.10�e�         Voorbeeld 3, wet van Ohm

 

De wet van Ohm luidt:

U = I×R

Hierin is U  [Volt] de potentiaal van de span­nings­bron , I [Ampère] de stroomsterkte en R [Ohm] de weerstand. Gegeven een spanningsbron van 5 [Volt]

en een variabele weerstand R [Ω].

De stroomsterkte als functie van de weerstand is

   

Afbeelding 41 Ohm: I=U/R

 

 

opdracht

 

teken de grafiek van I (in Ampère) tegen R (in Ohm)

de grafiek kent twee asympto­ten. Welke zijn dat?

 

II.10�g�         Voorbeeld 4, gemiddelde snelheid

 

Gegeven een weg met een leng­te van 200 [km]

Iemand rijdt op de heenweg met een (konstante) snelheid:

v1 = 100 [km/uur]

en op de terugweg met een kon­stante snelheid:

v2 = 50 [km/uur].

Bereken de gemiddelde snel­heid.

 

Uitwerking

 

We gaan uit van de vergelijking voor eenparige beweging:

s = v × t

Op de heenweg wordt dit:

200 = 100 × t1

met t1 [uur] de tijdsduur waar­mee met snelheid v1 = 100 [km/uur] gereden is.

Op de terugweg wordt dit:

200 = 50 × t1

met t2 [uur] de tijdsduur waar­mee met snelheid v2 = 50 [km/uur] gereden is.

Hieruit volgt:

t1 = 2 [uur]

t2 = 4 [uur]

Voor de gemiddelde snelheid geldt:

stotaal = vgemiddeld × ttotaal

stotaal = 200 + 200 = 400 [km]

ttotaal = t1 + t2 = 2 + 4 = 6 [uur]

dus

vgemiddeld = 400 ž 6 = 66_ [km/uur]

Afbeelding 42 v=200/t

In bovenstaande figuur is de grafiek van

getekend.

N.B.: We kunnen dus niet de twee snelheden bij el­kaar optellen en door 2 delen (150 ž 2 = 75).We kunnen de gemiddel­de snel­heid ook vinden door in de gra­fiek te kijken bij het gemid­del­de van t:

tgemiddeld = t1 + t2

        

            2  

tgem = 2 + 4 = 6 ž 2 = 3

    

       2

 

II.10�i�          Voorbeeld 5, toerental

 

Een wiel draait rond met hoek­snelheid ω (eenpa­rige cirkelbe­weging). De (baan)snelheid van een punt op de rand van het wiel wordt gegeven door

v = ω Ž R

met R de straal van het wiel.

Het toerental f (frekwentie) wordt gegeven door

Geef het toerental als functie van de straal als gegeven is

v = 10 [m/s]

 

Oplossing:

 

 

opdracht

 

teken de grafiek van f (in Hertz = per sekonde) tegen R (in me­ter)

de grafiek kent twee asympto­ten. Welke zijn dat?

 

 

II.10�k�         Voorbeeld 6, snijpunt hyperbool met lineaire functie

 

Berekenen snijpunt van een hyperbool met een rechte lijn.

Gegeven de functies

f(x) =

g(x) = 3 x - 9

Bereken de snijpunten van f en g

Teken de grafiek van f en g in één afbeelding.

Oplossing:

 

In het snijpunt geldt:

 

f(x) = g(x)                                                                                  gelijkstellen

= 3x - 9                                                                                     invullen

 

-6 = 3x2 - 9x                                                                                               ×x

0 = 3x2 - 9x + 6                                                                +6  op 0 herleiden

0 = x2 - 3x + 2                                                                                           ž3

                                                                                           -2-1=-3 -2×-1=2

(x - 2)×(x - 1) = 0                                                         ontbinden in faktoren

x - 2 = 0  Úx - 1 = 0                   faktoren 0 stellen

x = 2Úx = 1                   x-koördinaten s.p.

f(2)=g(2)=-3f(1)=g(1)=-6                                                   invullen in f (of g)

snijpunten

(1 , -6)(2 , -3)                                                    OPLOSSING GEVONDEN

 

Indien we de grafiek tekenen van de funkties f en g dan zien we de snijpunten:

(1 , -6) en (2 , -3).

Afbeelding 43 3x-9 = -6/x

 

 

II.10�m�        Voorbeeld 8, raaklijn aan hyperbool

 

Gegeven de functie

f(x) =

Bepaal de vergelijking van de rechte lijn die evenwij­dig is aan de rechte lijn met functie voor­schrift

g(x) = 3x - 9

en raakt aan de grafiek van f

 

Oplossing

 

Een lijn die evenwijdig loopt aan

g(x) = 3x - 9

heeft dezelfde richtingskoeffi­cient als de func­tie g. De verge­lijking van zo'n lijn is dan

h(x) = 3x + b

met b Î Å

Afbeelding 44 y=-6/x en nomogram van y=3x+b

In bovenstaande afbeelding is voor verschillende waarden van b een grafiek van de functie h gete­kend.

 

Bepalen van het raakpunt:

 

Antwoord

 

f(x) = g(x)                                                                                  gelijkstellen

= 3x + b                                                                                     invullen

 

-6 = 3x2 + bx                                                                                               ×x

0 = 3x2 + bx + 6                                                                                        +6

                                                                                              op 0 herleiden

Noodzakelijk voor een raakpunt

D = 0

b2 - 4×3×6 = 0

b2 = 72

b = Ö72    of   b = -Ö72

Er zijn dus twee raaklijnen die evenwijdig lopen aan de functie g(x)

                                                                                                                   

h1(x) = 3x + Ö72

h2(x) = 3x - Ö72 } zijn de verge­lijkingen van de raak­lijnen met r.c. = 3

 

Opdracht                                                                                                    

Bereken nu zelf de koördinaten van de snijpunten

II.11�        VRAGEN

 

1�Gegeven de formule

x×y = -œ

 

a          geef y als functie van x

b          geef deze functie weer met de pijlnotatie

cals gegeven is de rechte lijn met vergelij­king

l(x) = 2x + c

bepaal dan c Î Å zodanig dat de rechte lijn l deze functie raakt.

dGeef de koördinaten van het raakpunt

eGeef de vergelijkingen van de raaklijnen

f Geef de vergelijking van een lijn met rich­tingskoëfficient 2 die de functie niet snijdt.

 

2�Gegeven de functie

f(x) =

ateken de grafiek van f

b teken in dezelfde figuur ook de grafiek van de lijn y = x

cGeef een funktievoorschrift van een lijn die loodrecht staat op de lijn y = x

dGeef een funktievoorschrift van alle lijnen die loodrecht staan op de lijn y = x

eBepaal de raaklijnen aan de functie f, die loodrecht staan op de lijn y = x

fBereken de koördinaten van de raakpunten.

 

3�Gegeven de functie

f(x) =

en het punt P(1,1)

aGeef de vergelijking van de raaklijnen aan de functie f die door het punt P gaan.

bTeken de grafiek van de functie f

 

II.13�        Eerste graads gebroken funkties

 

Tot nu toe hebben we functies beschouwd van het type

y = + b

   

Nu onderzoeken we functies van het type

90

Dit kun je opvatten als het de­len van twee line­aire functies op elkaar.

 

Voorbeeld 1

 

Gegeven de functie

91

Onderzoek deze functie en te­ken de grafiek.

 

oplossing

 

Het domein van f is

Df = Å \ {2}

Het domein van f bestaat uit alle reële getallen behalve het getal 2.

Immers voor x = 2 wordt de noemer = 0

Maar dan is de lijn : x = 2 de vertikale asymp­toot, want door x steeds meer in de buurt van 2 te kiezen kunnen we y zo groot (in [positieve of negatieve richting) krijgen als we willen. De asymptoot is dus een vertikale lijn waartoe de functie nadert voor getallen in de buurt van 2; de functie y is niet gedefinieerd voor het getal x = 2 .

 

De horizontale asymptoot vin­den we door f anders te schrij­ven (teller en noemer delen door x)

 

92

Hierdoor zien we dat als we voor x een steeds groter positief getal invullen de functie f na­dert tot de lijn

93

94

Dit is de vergelijking van de horizontale asymp­toot.Bijvoorbeeld voor x=106=1000000 (1 mil­joen)

 

Nemen we een getal dat nog groter is dan x = 106 dan komen we nog dichter in de buurt van y = -2.

Immers zowel als naderen dan tot 0 en y nadert tot .

De vergelijking van de horizon­tale asymp­toot is de lijn

y = -2

 

Nu we de asymptoten gevonden hebben, berekenen we nog eni­ge interessante punten:

Nulpunten:

de snijpunten met de x-as wor­den gevonden door de teller = 0 te stellen:

98

99

Nulpunt ( -3 , 0)

           2

Snijpunten y-as:

x = 0

100

(0, 3)

    2

is het snijpunt met de y-as

We kunnen nu nog een tabel maken en een paar extra punten berekenen om de functie te te­kenen.

Afbeelding 45 y=(2x+3)/(-x+2)

Tenslotte: we kunnen de asymptoot ook vinden door een staartdeling uit te voeren:

           

dus we kunnen ook schrijven:

102

Kontroleer dit en bedenk hoe hieruit de asymp­toten bepaald kunnen worden.

Voorbeeld 2

 

Gegeven de functie

103

Onderzoek de functie en teken de grafiek.

 

oplossing

 

Het domein van f is

Df = Å \ {-1,5}

Het domein van f bestaat uit alle reële getallen behalve het getal -1,5.

Immers voor x = -1,5 wordt de noemer = 0:

-x - 1,5 = 0

-x = 1,5

x = -1,5

dus de functie y is niet gedefinieerd voor

x = -1,5 (delen door 0 mag niet).

In alle andere gevallen kunnen we schrijven:

104

De functie f is dus gelijk aan de konstante functie met ver­ge­lij­king

y = -2 mits x ¹ -1,5

Afbeelding 46 y=(2x+3)/(-x-1,5)=-2 als x¹-1,5

De grafiek van f is dus gelijk aan de horizon­tale lijn y = -2, met een gat voor x = -1,5. Indien we nu een staartdeling uitvoeren zien we dit duidelijk gedemonstreerd: de restterm van de deling =0.

 

 

II.14�a�         Algemeen

 

Gegeven de functie

106

Het domein van f is

Df = Å \ { )

Als geldt

a ž b = c ž d

dan kunnen we f schrijven als een konstante functie, behalve voor x=.

Als

a ž b ¹ c ž d dan geldt:

De vergelijking van de vertikale asymptoot is de lijn

x =

De vergelijking van de horizon­tale asymptoot is de lijn

y =

Het snijpunt met de x-as is

( , 0)

  

Het snijpunt met de y-as is

( 0 , )

     

 

II.15�        VRAGEN

 

1�Gegeven de functie

113

Onderzoek de functie en teken de grafiek

 

2�Gegeven de grafiek in onder­staande afbeel­ding. Het nul­punt is

( 1_ , 0 )

Wat is het funktievoor­schrift?

Afbeelding 47 bepaal het funktievoorschrift

 

3�Gegeven de functie

114

Onderzoek de functie en teken de grafiek.

 

4�Gegeven de functie

115

Onderzoek de functie en teken de grafiek.

 

5�Gegeven de functie

116

Onderzoek de functie en teken de grafiek.

 

6�Gegeven de functie

117

Onderzoek de functie en teken de grafiek.

 

7�Gegeven de functie

118

en de functie

g(x) = x + p

met parameter p Î Å

aVoor welke waarden van p hebben de functies f en g twee snijpunten?

bVoor welke waarden van p hebben de functies f en g één snijpunt?

cVoor welke waarden van p hebben de functies f en g nul (=geen) snijpunten?

dTeken de grafiek van f, en teken ook voor enkele gevon­den waarden van p de gra­fiek van p.

 

8�Gegeven de functie

119

Bepaal de vergelijking van de lijnen die door de oorsprong gaan en raken aan de grafiek van f.

 

9�Gegeven de onderstaande grafieken. Bepaal de funk­tievoorschriften.

Afbeelding 48 bepaal het funktievoorschrift

Afbeelding 49  bepaal het funktievoorschrift

Afbeelding 50  bepaal het funktievoorschrift

Afbeelding 51  bepaal het funktievoorschrift




10�Een hoeveelheid lucht , massa m = 1 [kg] met een Temperatuur T = 273 [Kelvin] voldoet aan de ver­ge­lijking:

P×V = 78351 {Newton×meter]

a�Wat is het domein van de druk p als functie van het volume V?

b�Wat is het bereik?

c�Geef de vergelijkingen van de asymptoten.

d�Teken de druk p als functie van het volume V. Zet eenheden langs de assen.Kies een geschikte schaalverdeling (groot genoeg met be­trek­king tot het gebruikte ruitjespapier)

11�Een chemische verbinding ont­leedt.

Het verband tussen de concen­tratie c [mol/liter] van de verbin­ding en de tijd t [sekonde] is

120

 

a          Wat is het domein van de functie?

b          Teken de grafiek van de functie.

cbepaal de asymptoten.

 

12�Een geluidsgolf met golflengte λ [meter] en fre­quen­tie f [Hz] heeft een snelheid

121

aNeem v = 332 [meter/sekon­de] (hoorbaar ge­luidsge­bied, lucht 273 K)

teken de grafiek van λ als functie van f voor f Î [100 Hz , 14000 Hz]

 

13�Een lichtgolf met golflengte λ [meter] en fre­quen­tie f [Hz] heeft een snelheid

 c = 300 000 000 [m/s]

Het verband tussen lichtsnel­heid, golflengte en frequentie van het licht is

122

 

a�teken de grafiek van λ als functie van f voor

f Î [4×1014 Hz , 8×1014 Hz].(zichtbaar licht)

b�Geef de asymptoten van de grafiek.